De hoogte van een bijstandsuitkering

De hoogte van een bijstandsuitkering

De hoogte van uw uitkering hangt af van uw persoonlijke situatie: het maakt bijvoorbeeld verschil of u alleen woont of samenwoont, en of u nog andere inkomsten heeft.

Normbedrag

In de Participatiewet staan normbedragen per situatie beschreven. Dat wil zeggen dat de overheid vastgesteld heeft van wat voor bedragen alleenstaanden of gezinnen van moet kunnen rondkomen. Die bedragen heten de bijstandsnormen. Is uw inkomen lager dan de norm die in uw situatie geldt, dan kunt u in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering. Het normbedrag dat voor uw situatie van toepassing is kunt u op de pagina Bijstandsbedragen opzoeken. Ieder jaar op 1 januari en 1 juli worden deze bedragen bijgesteld.

Aanvulling tot het normbedrag

Een bijstandsuitkering is een aanvulling op andere inkomsten. Ontvangt u bijvoorbeeld een WW-uitkering of hebt u inkomen uit arbeid dan worden deze inkomsten aangevuld tot het voor u geldende normbedrag. Ook alimentatie en heffingskortingen van de Belastingdienst zijn vormen van inkomen. Zijn uw inkomsten gelijk aan of hoger dan de voor u geldende uitkeringsnorm, dan hebt u geen recht meer op een uitkering.

Inkomsten

De inkomsten die u naast uw bijstandsuitkering ontvangt kunnen per maand verschillen. Daarom moet u iedere maand met een inkomstenformulier aan de Dienst doorgeven wat voor inkomsten u heeft. Het verschil tussen uw inkomsten en het normbedrag bepaalt de hoogte van uw uitkering. Het is belangrijk dat u uw inkomstenformulier iedere maand voor de uiterste inleverdatum opstuurt, want anders kan de Dienst uw uitkering niet op tijd uitbetalen.

Vermogen

Om te bepalen of u recht heeft op een uitkering bekijkt de Dienst ook hoeveel vermogen u heeft. Wanneer u meer dan een bepaald bedrag aan vermogen bezit, dan kunt u daarmee in uw levensonderhoud voorzien en heeft u geen recht op bijstand of ondersteunende bijdragen. Het bedrag dat u maximaal aan vermogen mag bezitten hangt af van uw leefsituatie. Onder vermogen worden naast spaargeld ook kostbare bezittingen gerekend, zoals een recreatiewoning, auto, caravan, boot, juwelen en waardepapieren. Bij een IOAW-uitkering is de hoogte van uw vermogen niet van belang.

Ontvangt u tijdens de uitkeringsperiode giften of andere bedragen waardoor uw vermogen in totaal hoger wordt dan het toegestane (vrij te laten) vermogen dan wordt uw uitkering beëindigd. Het maakt daarbij niet uit of u het vermogen dat u had inmiddels hebt uitgegeven.  Alleen als uw vermogen is toegenomen omdat u spaart van uw uitkering, blijft uw uitkering wel doorlopen.  Het vrij te laten vermogen wordt ieder jaar op 1 januari en 1 juli opnieuw vastgesteld.

Vakantiegeld

Als u een uitkering ontvangt hebt u recht op op vakantiegeld. U ontvangt uw vakantiegeld één maal per jaar in de maand juni. Hebt u naast uw uitkering ook inkomsten uit werk, dan verrekent de Dienst het vakantiegeld van uw salaris meteen met de uitbetaling van uw (maandelijkse) uitkering. In juni ontvangt u daardoor minder vakantiegeld. Als uw uitkering wordt beëindigd, bijvoorbeeld omdat u aan het werk bent gegaan, ontvangt u uw vakantiegeld zo spoedig mogelijk.

Specificatie

Bij aanvang van uw uitkering ontvangt u een specificatie van het bedrag dat naar u is overgemaakt. In deze specificatie leest u hoe de uitkering is samengesteld, wat er op uw uitkering wordt ingehouden en op hoeveel vakantiegeld u recht hebt. Wanneer er iets wijzigt in uw uitkeringsbedrag ontvangt u een nieuwe specificatie.