gelezen het voorstel van
het dagelijks bestuur d.d. 1 december 2003
gelet op de artikelen 48, 3e lid en 50 van de Wet werk en bijstand,
besluit:
vast te stellen van de verordening WWB
de afdeling:
KREDIETHYPOTHEEK
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand;
b. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
c. bijstand: algemene en bijzondere bijstand;
d. het bestuur: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Dienst Sociale
Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân;
e. woning: een door belanghebbende zelf of zijn gezin bewoonde woning, woonwagen
of woonschip met bijbehorend erf.
Artikel 2.
Indien bijstand wordt verleend aan een belanghebbende die eigenaar is van
een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft die
bijstand met toepassing van artikel 48, 3e lid WWB en art. 50 WWB de vorm
van een geldlening onder verband van hypotheek en wordt daartoe mede gerekend
de eventuele bijstand genoemd in de kosten genoemd in artikel 3, derde lid
van deze afdeling.
| Artikel 3. | |
| 1. | De geldlening bedoeld in artikel 2., heeft ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d. van de Wet werk en bijstand. |
| 2. | Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een beëdigd taxateur voor onroerende zaken die door het bestuur in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen. |
| 3. | De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend. |
Artikel 4. |
|
| 1. | Aan de geldlening wordt in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in de artikelen 5 en 6 van deze afdeling. |
| 2. | De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte. |
| Artikel 5. | |
| 1. | Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar. |
| 2. | De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats. |
| 3. | H et maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor de periode van een jaar vastgesteld. |
| 4. | Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.1, 3.2. en 3.3. van de wet, wordt geen aflossing gevergd. |
| 5. | Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het bestuur, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. |
| 6. | Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. |
| 7. | Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd. |
| Artikel 6. | |
| 1. | Indien door toepassing van artikel 5, vierde lid tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening. |
| 2. | De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent. |
| 3. | Indien belanghebbende naar het oordeel van het bestuur de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. |
| 4. | Indien belanghebbende naar het oordeel van het bestuur geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening. |
| 5. | Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd. |
| Artikel 7. | |
| 1. | Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 6, derde en vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost. |
| 2. | Bij verkoop van de woning kan het bestuur wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen volledig inzet voor de aankoop van de andere woning. |
| 3. | Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. |
Artikel
8.
Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandverlening
onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze
verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.
Artikel 9.
Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave
verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.
Artikel 10. Inwerkingtreding
Deze afdeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
ALDUS vastgesteld door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Dienst
Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân in zijn openbare
vergadering van 16 december 2003.
De voorzitter, De secretaris,
Toelichting afdeling krediethypotheek
Artikelsgewijze toelichting
HOOFDSTUK 1. Algemene
bepalingen
Artikel 1.
De begrippen die in deze afdeling worden gebruikt hebben een gelijkluidende
betekenis als de omschrijving in de Wet werk en bijstand (Wwb) en de daarbij
behorende toelichting/ memorie van toelichting dan wel in de Algemene wet
bestuursrecht (Abw).
Artikel 2.
Wanneer zowel algemene als bijzondere bijstand wordt verleend en de belanghebbende
is in het bezit van een door hem of zijn gezin bewoonde woning dan heeft die
bijstand de vorm van een geldlening onder verband van een krediethypotheek.
De verleende bijstand voor de bijkomende kosten vallen hier eveneens onder.
Het vorenstaande impliceert dat de belanghebbende verplicht is om aan de vestiging
van de krediethypotheek zijn medewerking te verlenen.
Artikel 3.
Voor de berekening van de krediethypotheek is uitgangspunt de waarde van de
woning in het economische verkeer bij vrije oplevering. De waardebepaling
dient plaats te vinden door een beëindigd taxateur voor onroerende zaken.
Van de waarde in de woning blijft een gedeelte buiten beschouwing. Naast de
op de woning drukkende schulden wordt vrijgelaten het bedrag zoals genoemd
in artikel 34, 2e lid onder d. Wwb.
Artikel 4.
Naast de in artikel 5 en 6 genoemde voorwaarden worden in ieder geval de gebruikelijke
bedingen in de hypotheekakte opgenomen.
Een gebruikelijk beding in een hypotheekakte is o.a. dat rente verschuldigd
is wanneer de woning wordt verkocht en er niet snel wordt afgerekend.
Artikel 5.
De periode van tien jaar waarin aflossing wordt gevraagd begint op het moment
dat de bijstandsverlening wordt beëindigd.
Per maand zal in beginsel een aflossing plaats vinden die gelijk is aan 1/120
van de geldlening. Onder andere afhankelijk van het nieuwe inkomen kan een
hogere maandelijks aflossingsbedrag gevraagd worden. Daarentegen is het, indien
de individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven ook mogelijk maandelijks
een lager aflossingbedrag vast te stellen.
In dit artikel is aangegeven dat maandelijks een aflossing moet worden gedaan.
Blijft die aflossing achterwege dan is het nog niet afgeloste deel van de
geldlening terstond opeisbaar en is belanghebbende vanaf het moment van verzuim
de wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 6.
Wanneer er, binnen de periode van 10 jaar, sprake is geweest van lagere aflossingsbedrag
die niet kon worden gecompenseerd door hogere aflossingsbedragen op andere
tijdstippen, wordt voor het nog niet afgeloste deel van de geldlening uitstel
van betaling verleent. Het wordt aan de belanghebbende overgelaten of het
toch aflossingen wil verrichten. De belanghebbende blijft daarentegen wel
rente verschuldigd. De rente die belanghebbende dan verschuldigd is, is de
wettelijke rente minus drie procent.
Het kan voorkomen dat de belanghebbende weliswaar wel de rente (of een gedeelte
daarvan) kan opbrengen maar daardoor niet aan aflossen toe komt. De renteverplichting
belemmert dan het
aflossen. Om dit te vermijden wordt de betaling eerst tot ten hoogste het
bedrag van de renteverplichting aangemerkt als aflossing. De bij de schuld
bij te schrijven rente die telkens niet betaalt kan worden zal, omdat er wordt
afgelost, op termijn afnemen. Omdat over de bijgeschreven rentevordering geen
rente verschuldigd is loopt de totale schuld niet oneindig op. Wanneer de
geldlening op enig moment geheel is afgelost zal de renteverplichting die
op dat moment moet worden berekend nul euro zijn. Het tot dat moment bijgeschreven
totaalbedrag aan rentevorderingen wordt op de gebruikelijke wijze afgehandeld.
Wanneer de belanghebbende ook de rente niet kan betalen wordt deze als vordering
bijgeschreven bij het niet afgeloste deel van de geldlening. Over deze bijgeschreven
rentevorderingen is geen rente verschuldigd. Dit in tegenstelling tot de renteverplichting
bij schuldige nalatigheid
Artikel 7.
In dit artikel is geregeld dat bij verkoop van de woning of bij vererving
de geleende bijstand, althans het restant van de geldlening, alsmede de eventueel
bijgeschreven rentevordering direct bij de overdracht wordt afgerekend.
Dit geldt in principe ook bij verkoop tijdens het ontvangen van bijstand wanneer
er dringende redenen zijn om te verhuizen. Desondanks wordt in de tweede lid
de mogelijkheid gegeven tot verwisseling van het onderpand.
Artikel 8.
Bij een niet al te lange onderbreking van de bijstandsverlening moet er van
worden uitgegaan dat de nieuwe bijstandsbehoeftigheid niet los kan worden
gezien van die daarvoor. Daarom is geregeld dat in gevallen waarin geen sprake
is van een duurzame onderbreking, de laatste berekening van het bedrag van
de maximale geldlening wordt gehanteerd. Voor zover binnen een periode van
twee jaar het maximale bedrag van die lening nog niet is aangesproken, bijv.
door voortijdige beëindiging van de bijstand, wordt de te verlenen bijstand
dan ook ten laste daarvan geboekt. Is het maximale bedrag wel volledig aangesproken
en vindt bijstandsverlening verder om niet plaats en belanghebbende doet na
een korte onderbreking opnieuw een beroep op bijstandsverlening dan dient
voor zover de periode, waarover bijstand om niet is verstrekt, korter is dan
twee jaar niet opnieuw een krediethypotheek gevestigd te worden en vindt bijstandsverlening
dus om niet plaats. Vindt daarentegen, na een onderbreking van meer dan twee
jaar bijstandsverlening om niet, opnieuw een bijstandsaanvraag plaats dan
dient opnieuw een krediethypotheek te worden gevestigd. Het spreekt voor zich
dat het op dat moment nog openstaande saldo van de geldlening onder verband
van krediethypotheek, als een op de woning drukkende schuld wordt meegenomen.
In het geval er wel sprake is van een duurzame onderbreking dient te allen
tijde een nieuwe hypotheek te worden gevestigd en wordt het nog openstaande
saldo van de laatste geldlening als een op de woning drukkende schuld in de
berekening meegenomen.
Artikel 9.
Tijdens de looptijd van de lening wordt aan de belanghebbende een opgave verstrekt
van de stand van de geldlening en van de eventueel bijgeschreven rentevorderingen.
Artikel 11.
Met verwijzing naar artikel 11 en 12 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand
is artikel 50, 2e lid van de wet alsmede de bepalingen in deze afdeling niet
van toepassing voor de belanghebbende die op 31 december 2003 recht had op
bijstand om niet, en eigenaar was van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde
woning met bijbehorend erf. Dit geldt eveneens voor de bewoners van de eigen
woning die, in verband met tijdelijke werkaanvaarding, enige tijd geen bijstand
ontvangen, maar nog vóór 1 januari 2005, opnieuw een beroep
op de bijstand doen.
Ten aanzien van de besluiten van bijstandsverlening onder verband van een
krediethypotheek, welke op grond van de ABW of Abw zijn verleend en waarbij
de krediethypotheek is gevestigd blijft het destijds bepaalde en als zodanig
opgenomen in het desbetreffende besluit en/ of akte van krediethypotheek van
toepassing.
Heeft de belanghebbende
weliswaar vóór de inwerkingtreding van de wet maar ná
publicatie van de wet in het Staatsblad (= op 10 oktober 2003) bijstand aangevraagd
dan geldt het regiem van de Wet werk en bijstand en het in deze afdeling bepaalde.