
Verordening overleg cliëntenparticipatie
Het bestuur van het openbaar lichaam Dienst Sociale
Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân:
gelezen het voorstel van de directie d.d. 13 oktober 2006;
gelet op het advies van de cliëntenorganisaties
WWB en de Koepel Wmo respectievelijk d.d. 31 oktober 2006 en 8 november 2006;
Overwegende dat de Dienst:
| - | verantwoordelijk is voor de realisatie
en vormgeving van cliëntenparticipatie in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers(Ioaw) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen werkloze werknemers(Ioaz); |
| - | gelet op de verplichting tot cliëntenparticipatie op basis van de op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning(Wmo) |
| - | een verordening die het vorenstaande regelt daarbij noodzakelijk is; |
besluit:
vast te stellen de Verordening cliëntenparticipatie WWB/Ioaw/Ioaz en Wmo
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
1. Cliënt: de persoon die als werkzoekende staat ingeschreven of die behoort
tot de groep van personen die voor een uitkering of voorziening in aanmerking
komt op grond van de wetten en regelingen waarvan de uitvoering is opgedragen
aan de Dienst.
2. Wetten en regelingen waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Dienst: Wet
werk en bijstandswet (WWB) inclusief het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen
(Bbz), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz), Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en andere
sociale zekerheidswetten waarvan de uitvoering is opgedragen aan gemeenten,
i.c. de Dienst; hieronder wordt mede verstaan de algemene maatregelen van bestuur
en uitvoeringsregelingen op grond van de hiervoor genoemde wetten alsmede het
door de Dienst, op grond van vorenstaande wetten ca., ontwikkelde c.q. vastgestelde
beleid.
Hoofdstuk II Erkenning cliëntenorganisaties
Artikel 2 Erkenning
1. De cliëntenorganisaties stellen een reglement vast waarin, ten minste,
wordt geregeld:
de doelstelling, de samenstelling en de functies, de zittingsduur van de leden
en de werkwijze in de vergaderingen.
2. Dit reglement behoeft de instemming van de Dienst. Deze instemming heeft
uitsluitend als doel om de Dienst daardoor te kunnen laten beoordelen of de
cliëntenorganisaties acceptabel voor hem zijn en als formeel overleg- en
inspraakorgaan ten behoeve van de cliënt kunnen worden erkend.
Hoofdstuk III Doelstelling en uitgangspunten voor het overleg
Artikel 3 Doelstelling
De doelstelling van het overleg is, door de inbreng van de deelnemers, de dienstverlening
van de Dienst aan de cliënt (verder) te verbeteren of, anders gezegd, de
uitvoering van de wetten en regelingen op een zo correct mogelijke en aanvaardbare
manier te laten plaatsvinden.
Artikel 4 Uitgangspunten
1. De overlegdeelnemers onderkennen dat zich voor hen verschillende belangen
(kunnen) voordoen. Dit wordt, onder andere, mede bepaald door de beperkingen
die de wetten en regelingen aan de Dienst als uitvoerder stellen. In het overleg
wordt uitgegaan van, een wederzijds, begrip voor de verschillende belangen.
2. Bij het overleg wordt uitgegaan van de goede trouw van de deelnemers. Alleen
dan kan overleg zinvol zijn. Daarom moet worden voorkomen dat er in dit opzicht,
over en weer, verwijten worden geuit. De te bespreken punten dienen door beide
partijen zo zakelijk mogelijk te worden benaderd.
3. De overlegdeelnemers beperken zich tot algemeen overleg. Individuele zaken
dienen in een algemeen overleg alleen ingebracht te worden als illustratie;
niet om alsnog gecorrigeerd te worden of daarop een andere (individuele) beslissing
te krijgen.
4. Overleg kan alleen vruchtbaar zijn als zowel de cliëntenorganisaties
als ook de Dienst hun inbreng leveren en agendapunten aanleveren.
Hoofdstuk IV Werkwijzen
Artikel 5 Werkwijze cliëntenorganisaties
1. De cliëntenorganisaties, ieder voor de eigen doelgroep die zij vertegenwoordigen:
a. geven gevraagd en ongevraagd advies aan de Dienst over nieuwe wetten en regelingen
(zowel landelijk als lokaal) waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Dienst,
danwel voornemens daartoe, voor zover deze gevolgen hebben voor de cliënten;
b. geven gevraagd en ongevraagd advies aan de Dienst over het feit of de Dienst
voldoende gebruik maakt van de ruimte die de wetgever hem biedt;
c. zijn alert op ontwikkelingen en knelpunten in het stelsel van sociale zekerheid
en voorzieningen en in de arbeidsvoorziening; zij geven daarover aan de Dienst
signalen af voor zover het onderwerpen betreft die tot de bevoegdheden van de
Dienst behoren.
2. Tot deze onderwerpen behoren ook de procedures, regelingen en alle andere
met individuele gevallen verband houdende zaken, mits deze een algemeen karakter
hebben.
3. Tot deze onderwerpen behoren niet klachten, bezwaarschriften en andere zaken
die op individuele cliënten betrekking hebben, alsmede de uitvoering van
wettelijke voorschriften voor zover bij deze uitvoering geen ruimte is gelaten
voor gemeentelijk beleid.
4. Evenmin kan worden geadviseerd over het personeels- en organisatiebeleid
van de Dienst.
Artikel 6 Werkwijze Dienst
1. De Dienst draagt er zorg voor dat alle zaken die verband houden met de onderwerpen
als omschreven in artikel 5, lid 1, voorafgaande aan zijn beslissing hierop,
om advies aan de cliëntenorganisaties worden voorgelegd.
2. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt wanneer dit, naar het oordeel
van de Dienst, zal leiden tot een ongewenste vertraging in de informatieverstrekking
aan de cliënt, danwel tot een ongewenste vertraging in de uitvoering die
in het nadeel van de cliënt zal werken. In die gevallen zal het onderwerp
achteraf in de bijeenkomst met de cliëntenorganisaties ter discussie worden
gesteld.
3. Het overleg heeft een dynamisch karakter: voor zoveel mogelijk worden de
cliëntenorganisaties door de Dienst vanaf de start betrokken bij het traject
dat leidt tot ontwikkeling van de beleidsmatige processen en de uiteindelijke
bestuurlijke besluitvorming.
4. De Dienst verplicht zich, indien dit gewenst of noodzakelijk wordt geacht,
te zorgen voor vertegenwoordiging in de bijeenkomsten van de cliëntenorganisaties.
5. Indien de Dienst een beslissing neemt die afwijkt van het éénstemmige
of van het meerderheidsadvies van de cliëntenorganisaties, dan brengt de
Dienst dit gemotiveerd, schriftelijk, ter kennis van de cliëntenorganisaties.
Hoofdstuk V Faciliteiten en middelen.
Artikel 7 Faciliteiten
1. Ten behoeve van een goed functioneren faciliteert de Dienst de cliëntenorganisaties
door middel van het verstrekken van financiële middelen.
2. Deze middelen worden toereikend geacht om alle, voor het functioneren van
de cliëntenorganisaties noodzakelijke, kosten te voldoen. Onder deze kosten
wordt onder meer verstaan: een forfaitaire onkostenvergoeding voor de leden
(voor de vaststelling geldt voor 2007 als uitgangspunt: € 41,10 voor bestuursleden
en € 26,60 voor de overige leden per bezochte vergadering inclusief de
daaraan verbonden werkzaamheden), reiskosten, kosten gebruik vergaderruimte,
scholingskosten, abonnementskosten, bureau- en secretariaatskosten e.d. Deze
bedragen worden jaarlijks aangepast op basis van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.
3. Om de facilitering te bekostigen, krijgen de cliëntenorganisaties een
vast budget toegekend. Jaarlijks zal dit bedrag aangepast worden op basis van
de prijsindex voor de gezinsconsumptie.
4. Eventuele overschotten mogen worden overgeheveld naar een volgend jaar. Het
overschot mag echter niet meer bedragen dan 50% van het bedrag aan subsidie
van het betreffende jaar.
Eventuele tekorten worden bekostigd uit de reserves van de cliëntenorganisaties.
Indien de cliëntenorganisaties meer subsidie nodig hebben dan begroot,
dienen zij dat voor 15 februari van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar
gemotiveerd aan te vragen.
5. Als de Dienst in haar facilitering meent te moeten afwijken van het door
de cliëntenorganisaties begrote bedrag, wordt dit gemotiveerd aan de cliëntenorganisaties
medegedeeld.
6. De cliëntenorganisaties verplichten zich om binnen drie maanden na afloop
van het betreffende jaar een financieel verslag van dat jaar aan de Dienst aan
te bieden.
Hoofdstuk VI Slotbepalingen
Artikel 8 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2007. Met het inwerkingtreden van de verordening vervalt het Convenant overleg cliëntenparticipatie.
Artikel 9 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als de verordening cliëntenparticipatie
Aldus vastgesteld door het Bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Noardwest Fryslân in zijn vergadering van 13 december 2006.
| w.g. Th. Twerda, Voorzitter. |
w.g. R.A.F. Jansen MPM, secretaris/directeur. |