Beleidsplan 2006

Voorwoord


Het openbaar lichaam Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân is ontstaan uit de fusie – per 1 januari 1999 – van de afdelingen sociale zaken van de gemeenten Vlieland, Harlingen, Franekeradeel, Menaldumadeel en het Bildt. Per 1 januari 2005 zijn vervolgens de gemeenten Ferwerderadiel, Leeuwarderadeel en Terschelling toegetreden.

Het uitgangspunt bij de fusie is geweest dat verregaande samenwerking kan leiden tot betere dienstverlening aan de burgers. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid binnen de aangesloten gemeenten.

Met name daar, waar het gaat om de verbetering van de dienstverlening aan de burgers is dit vanuit de organisatie, in de loop van het bestaan van de Dienst, vertaald in een “missie”. Een korte kernachtige weergave waarvoor de Dienst “staat” bij zijn taakstelling en -uitvoering. Deze missie is als volgt geformuleerd: ‘ inwoners die een beroep kunnen doen op sociale zekerheid, mogelijkheden aanreiken om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving.

Namens het bestuur,

W. van der Meulen, voorzitter. ........................... ..R.A.F. Jansen, secretaris / directeur.

1. Inleiding en leeswijzer


1.1 Inleiding

Op het werkterrein van de Dienst doet zich steeds meer het verschijnsel voor van een terugtredende Rijksoverheid. Dat betekent, onder co-financiering, de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de arbeids(re)integratie, de inkomenswaarborg en de zorg naar de lokale overheid. Met als kenmerk dienst- en zorgverlening op maat.
Dat betekent ook dat er voor de lokale overheid, en de Dienst als uitvoerder, meer beleidsruimte ontstaat. De Dienst staat daarmee voor de uitdaging om met de ingezette middelen een zo hoog mogelijk rendement te bewerkstelligen.
Dit Beleidsperspectief 2006 probeert – op een evenwichtige en samenhangende manier – invulling aan die uitdaging te geven. In navolgende leeswijzer worden in het kort de onderwerpen weergegeven, gerangschikt naar de hoofdstukken van het Beleidsperspectief 2006.


1.2 Leeswijzer


1.2.1 Hoofdstuk 2 : Plaats en taak van de Dienst
Evenals in voorgaande edities van Beleidsperspectieven en –visies is het van belang om positie en taak van de Dienst helder te krijgen in het krachtenveld van het sociaal economisch en maatschappelijk gebeuren in onze samenleving.

Positie temidden van:
.....- ...de arbeidsmarkt
.....- ...het sociale zekerheidsstelsel
.....- ...het zorg- en voorzieningenveld
.....- ...maatschappelijke participatie

Taakvelden bestaande uit:
.....- ...Werk en Inkomen
.....- ...Zorg en Dienstverlening

Taakvelden (uitwerking):
.....- ...Reïntegratie: voorkoming instroom en bevordering uitstroom (“werk als beste remedie tegen armoede”)
.....- ...Inkomensvoorziening: vangnetfunctie Wet werk en bijstand (WWB)
.....- ...Armoedebestrijding: armoedepreventie en minimabeleid
.....- ...Gehandicaptenbeleid: mobiliteitsvoorzieningen gehandicapten Wet voorzieningen gehandicapten (WVG). Deze wet wordt per 1 januari 2006 vevangen door de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). De positie van de Dienst ten aanzien van deze wet is thans nog niet bekend.


1.2.2 Hoofdstuk 3 : Werk en Inkomen
In tegenstelling tot voorgaande jaren is er in deze editie sprake van een zekere samenvoeging van de hoofdstukken Werk en Inkomen. Reden: er is meer dan een duidelijke samenhang tussen deze twee terreinen; het een kan niet los worden gezien van het ander. Immers bewegingen en acties op het ene terrein hebben directe gevolgen en invloed op het andere. Ook voor de – zo optimaal mogelijke – besteding van de budgetten van het Rijk is de samenhang in het beleid werk én inkomen van belang. Ondanks dat de budgetten gescheiden worden weergegeven (‘werkdeel’ en ‘inkomensdeel’).
In hoofdstuk Werk en Inkomen komt het volgende aan de orde.

Inleiding
- Een schets van de werkwijze van de Dienst – zowel de bestaande als de voorgestane – bij de ondersteuning in inkomen en de ondersteuning naar werk.

Maatschappelijke context van reïntegratie
- Landelijke en regionale ontwikkelingen op de arbeidsmarkt: werkgelegenheid, arbeidsparticipatie, werkloosheidspercentage.
- Landelijke wet- en regelgeving: een opsomming van een groot aantal maatregelen uit het Rijksbeleid ten aanzien van werk en inkomen.
- Gevolgen rijksmaatregelen voor de bijstand: de aanscherping van de eisen Werkloosheidswet (WW) en de wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
- Gevolgen voor het cliëntenbestand van de Dienst: Indeling in fasen (afstand tot de arbeidsmarkt) van het cliëntenbestand.
- Aansluiting Rijksbeleid, beleid van de Dienst en de doelgroep: Rijksbeleid niet altijd effectief voor de doelgroep; treffen van
‘doelgroepgerichte’ maatregelen vanuit de Dienst noodzakelijk.

Financiële context van reïntegratie:
- .....Budget: verdeling inkomendeel en werkdeel; risico van overschrijding van het budget inkomen betekent dat, tot 10%, dit voor eigen rekening blijft.
- .....Gevolgen voor de Dienst: vaststelling gemiddelde uitkering per jaar, afgezet tegen het (indicatieve) budget; m.a.w. hoeveel uitkeringen kunnen worden bekostigd uit het beschikbare budget.

Ideologische context van reïntegratie:
- Missie van de Dienst: vaststelling van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de Dienst.

Beleidsvoornemens en activiteiten 2006:
- Voorzieningen voor de korte termijn: maatregelen door de Dienst voor de cliënten ingedeeld in fase 1 en fase 2.
-.Voorzieningen voor de langere termijn: maatregelen door de Dienst voor de cliënten ingedeeld in fase 3 en fase 4.
- Verbetering bestaande voorzieningen: monitoring en resultaatmeting van ingekochte reïntegratietrajecten; verbetering samenwerking met CWI en UWV
- Nieuwe reïntegratievoorzieningen: behandeling van een viertal op te starten projecten t.w. ‘Wurkjendewei’, ‘Wetterwurk’, ‘Gouden Driehoek’ en een detacheringsplan.

Conclusies beleid 2006:
- Algemene beleidsdoelen: bieden van ondersteuning (werk en inkomen) aan burgers; betere aansluiting vraag en aanbod arbeidsmarkt; regierol Dienst bij afstemming en samenwerking; instroompreventie en verbetering door- en uitstroom.
- Concrete beleidsdoelen: preventiequote instroom; inzichtelijk maken doorstroom van fase 4 naar (uiteindelijk) fase 1; gemiddeld uitstroompercentage; implementatie nieuw reïntegratiemethoden.
- Kosten: voorzieningen voor korte en langere termijn; verbetering bestaande voorzieningen; ontwikkeling van nieuwe voorzieningen.
- Conclusies ten aanzien van de kosten: inzet van de beschikbare middelen; besteding van het Werkbudget en de mogelijkheid van de ‘meeeneemregeling’naar een volgend dienstjaar.


1.2.3 Hoofdstuk 4 : Inkomenswaarborg
Dit hoofdstuk bestaat uit een ‘technische’ uitwerking van het uitkeringsinstrumentarium dat de Dienst ter beschikking staat.

Instrumenten:
- Wet werk en bijstand (WWB)
- Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
- Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)
- Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ)

Wet werk en bijstand:
- Beleid Rijksoverheid: centraal vastgestelde normensystematiek: 100%, 70% en 50%
- Lokaal beleid: verhoging resp. verlaging van de rijksnormen in bepaalde specifieke omstandigheden op basis van gezins- en woonsituatie
- Inkomensvrijlating: wettelijk begrensd tot maximaal 6 maanden
- Langdurigheidtoeslag: voor uitkeringsgerechtigden 23 – 65 jaar die 5 jaar ononderbroken op het sociaal minimum zijn aangewezen
Overige inkomensvoorzieningen:
- Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
- Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)
- Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ)


1.2.4 Hoofdstuk 5 : Zorg
De Dienst verstaat onder zijn zorgtaak: armoedebestrijding, verstrekking van voorzieningen aan gehandicapten ter bevordering van hun mobiliteit; zorgverlening op maat.

Landelijke, maatschappelijke, ontwikkelingen:
- De Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO): de inhoud en prestatievelden voortvloeiende uit de wet
- Positie senioren: maatregelen Rijksoverheid in de inkomenssfeer van de personen 65 jaar en ouders
- Chronisch zieken en gehandicapten (minima): compensatie in de sfeer van bijzondere bijstand vanwege de bezuinigingen Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) en Ziekenfondswet.

Gevolgen voor de Dienst:
- WMO: opsomming van de hoofdlijnen en uitgangspunten van de WMO; tijdpad invoering WMO; instelling (en taakstelling) Taskforce WMO Noardwest Fryslân.
- Positie senioren: start nieuw project ‘Benadering Senioren 75+’ met gebruikmaking netwerk ouderenorganisaties en ouderenadviseurs; toepassing categoriale bijzondere bijstand > 65 jaar
- Positie chronisch zieken en gehandicapten: invoering – en handhaving – van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering voor minima, de AV Frieso.

Overige taken zorgbeleid:
- Individuele bijzondere bijstand: maatwerk voor specifieke kosten die niet uit de (basis)bijstandsnorm kunnen worden bestreden
- Regeling Sprokkelkosten bijzondere bijstand: een regeling waarbij diverse ‘kleine kosten’ worden gevangen in één (verkort) aanvraagtraject
- Schuldhulpverlening: Integrale schuldhulpverlening in samenwerking met de GKB-Friesland. Integraal: met medewerking van de Stichting Maatschappelijk Werk Fryslân en de dr. Kuno van Dijkstichting (verslavingszorg)
- Uitvoering van een onderdeel van de Wet Kinderopvang: ten behoeve van alleenstaande ouders die een uitkering op grond van de WWB ontvangen
- De nieuwe Wet Inburgering (waarschijnlijk per 1 augustus 2005): a. voor inburgeraars met WWB-uitkering is de inburgering integraal onderdeel reïntegratietraject; b. voor nieuwkomers buiten de WWB bestaat de keus: of zelf inburgeren of bij de Dienst een cursus inkopen


1.2.5 Hoofdstuk 6 : Dienstverlening
De Dienst als een investering in de sociale infrastructuur van de lokale gemeenschappen en van de regio Noordwest Fryslân.

Communicatie met de burgers:
- Overleg- / inspraakorganen: Cliëntenraad Werkzoekenden en Uitkeringsgerechtigden Noordwest Friesland (uitvoering WWB); Koepel WVG (uitvoering WVG)
- Individuele belangenbehartiging: Steunpunt uitkeringsgerechtigden en gehandisacpten Noardwest Fryslân
- Algemene Inspraakverordening: wettelijk voorgeschreven ten behoeve van alle ingezetenen van het rechtsgebied van de Dienst
- Voorlichting en informatie: voorlichtingslijn van de Dienst
- Verwijzing: doorverwijzing hulpvraag burgers naar daartoe bestemde instelingen


1.2.6 Hoofdstuk 7 : Organisatie
In dit hoofdstuk worden worden personele aspecten van de organisatie weergegeven.

Personeelsontwikkeling
.....- .....Professionalisering personeel
.....- .....Ontwikkeling instrumentarium leidinggevenden
.....- .....Persoonlijke ontwikkelingsplannen

Arbeidsomstandigheden
.....- .....Wijziging Wet Arbo
.....- .....Aanstelling preventiemedewerker

Personeelsplanning
.....- .....Gevolgen uitbreiding werkzaamheden Dienst

Verandering wet en regelgeving
.....- .....WAO wordt WIA (Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen)
.....- .....WIA introduceert financiële prikkels t.b.v. gedeeltelijk arbeidsongeschikten
.....-......IVA (Regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) brengt weinig wijziging voor volledig arbeidsongeschikten ten opzochte van de huidige WAO


2. Plaats en taak van de Dienst


2.1 Positie van de Dienst

In het voorwoord is reeds de missie (‘inwoners die een beroep kunnen doen op sociale zekerheid, mogelijkheden aanreiken om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving’) aangegeven waar de Dienst voor staat. Met deze missie plaatst de Dienst zich midden in het krachtenveld van met name de sociaal- economische en maatschappelijke bewegingen.
Enkele voor de hand liggende terreinen en begrippen in dit krachtenveld:
- ..........De arbeidsmarkt
In de dynamische zin van het woord. Dus zowel vraag- als aanbodzijde.
De vraagzijde: ten aanzien van datgene wat de arbeidsregio aan behoefte heeft. Zodat de Dienst zijn scholings- en uitstroomactiviteiten hierop kan afstemmen.
De aanbodzijde: datgene wat de Dienst aan arbeidspotentieel aan de arbeidsregio te bieden heeft.
- ..........Het sociale zekerheidsstelsel
De Dienst als uitvoerder en handhaver van inkomensvoorzieningen. De ontwikkelingen in de sociale zekerheidswetgeving die niet door de Dienst wordt uitgevoerd zijn eveneens van belang. Zij hebben onmiskenbaar hun invloed op de vangnetfunctie die de Dienst in het sociale zekerheidstelsel vervult.
- ..........Het zorg- en voorzieningenveld
De taak van de Dienst hierin: voorkoming-, opheffing en vermindering sociaal isolement van burgers (activering); het opheffen of verminderen van financiële beperkingen (armoede- en minimabeleid); het opheffen of verminderen van fysieke beperkingen (gehandicaptenbeleid / verbetering mobiliteit)
- ..........Maatschappelijke participatie
Dit begrip vat in feite in twee woorden samen datgene, waarvoor de Dienst (in zijn missie) staat. Het is van belang de ontwikkelingen die zich op dit gebied in het algemeen voordoen te volgen en, daar waar mogelijk, op de lokale situatie toe te passen.


2.2 Doelstelling van de Dienst

2.2.1 Taakvelden
Voortvloeiend uit de positie van de Dienst en zijn missie, bestaat de doelstelling van de Dienst uit een aantal kernonderdelen die zijn te formuleren als: inkomensvoorziening, reïntegratie, armoedebestrijding en gehandicaptenbeleid . De werkzaamheden die hiervan een gevolg zijn, betreffen één of meer van de volgende taakvelden:

2.2.2 Uitwerking taakvelden

- ..........Reïntegratie, inkomensvoorziening en armoedebestrijding
Bij deze begrippen gaat het om de inzet van een breed instrumentarium en te ondernemen acties:

Reïntegratie
Voorkomen van instroom en bevorderen van uitstroom naar werk van de groep van burgers die tot de doelgroep van de Dienst behoort (“werk als de beste remedie tegen armoede”).
Maatschappelijke participatie in de vorm van sociale activering voor die groep die door de omstandigheden nog een (te) grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft.
De gemeenten, in casu de Dienst, zijn – krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) – voor deze onderdelen volledig beleidsverantwoordelijk.
Dat betekent dat daarmee ook de financiële verantwoordelijkheid bij de Dienst ligt. Het budget voor reïntegratie, het zgn. ‘Werkdeel’ van het totale budget WWB dat het Rijk, rechtstreeks, aan de Dienst verstrekt, bedroeg voor 2005 (indicatief): € 6.554.482 voor de 8 gemeenten. Op tijdstip van schrijven is het bedrag voor 2006 nog niet bekend.

______________________
¹ Tot en met het jaar 2005 wordt het gehandicaptenbeleid van de Dienst bepaald door de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG). Op moment van schrijven is de ontwikkeling van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) nog volop gaande (zie Hfdst. 5, par. 5.5.3) . De WVG zal daarin opgaan. De wijze waarop- en in welk (samenwerkings)verband de WMO zal worden uitgevoerd is thans nog niet bekend.

Inkomensvoorziening
Vangnetfunctie sociale zekerheidsstelsel: inkomensvoorziening voor diegenen die niet met werk in dienstbetrekking, noch op andere wijze in de kosten van het bestaan kunnen voorzien.
Ook hiervoor stelt het Rijk een vast budget beschikbaar: het zgn. ‘Inkomensdeel’. Het – indicatieve – budget voor 2006 bedraagt € 19.739.921 voor de 8 gemeenten.

Armoedebestrijding
Armoedepreventie: tijdig waarnemen en signaleren van ontwikkelingen waardoor armoede wordt voorkomen.
Minimabeleid. Collectief: waar mogelijk, met gebruikmaking van categoriale bijzondere bijstand. In de persoonlijke sfeer: door middel van individuele bijzondere bijstand wanneer het gaat om in de persoon gelegen factoren en omstandigheden.
De financiering van deze activiteiten – bijzondere bijstand – vindt plaats door het Rijk door middel van toevoeging aan de algemene middelen van de gemeenten.

2.2.3 Gehandicaptenbeleid
In het taakveld Zorg heeft de Dienst, tot nu toe, ook de verantwoordelijkheid voor (een deel van) het lokale gehandicaptenbeleid. Dit deel beperkt zich tot de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG): de verstrekking van individuele voorzieningen ter opheffing van belemmeringen die zich voordoen ten gevolge van beperkingen in de mobiliteit in de directe woon- en leefomgeving van de gehandicapte. De Dienst heeft hiertoe het volgende instrumentarium:

In specifieke situaties kan het mogelijk zijn dat de Dienst collectieve voorzieningen treft. De gedachte die hieraan, mede, ten grondslag ligt is dat met het treffen van een collectieve voorziening wordt voorkomen dat diverse afzonderlijke individuele voorzieningen noodzakelijk worden.

Met de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) per 1 januari 2006, komt echter de WVG te vervallen en worden de gehandicaptenvoorzieningen ondergebracht in de nieuwe WMO. Het is thans nog niet duidelijk of de uitvoering van de WMO gaat behoren tot de taakvelden van de Dienst.


3. Werk en Inkomen


3.1 Inleiding

De Wet werk en bijstand (WWB) schrijft twee hoofdtaken voor, namelijk het bieden van inkomensondersteuning en het bieden van voorzieningen bij het verkrijgen van werk.
Voor beide taken is een apart budget beschikbaar, het inkomensdeel en het werkdeel.
Gezien het motto van de wetgever, te weten: ‘Werk boven Inkomen’, is de toeleiding naar werk een belangrijke taak.

3.1.1 Huidige werkwijze van de Dienst
De Dienst heeft voor de ondersteuning naar werk de reïntegratieladder opgericht met een samenhangend pakket van voorzieningen. Hierin worden cliënten in eerste instantie ondersteund naar werk via het CWI en via activering en control van onze casemanagers. Voor cliënten en aanvragers met enige afstand tot de arbeidsmarkt zijn trajecten ingekocht bij reïntegatiebedrijven (RIB’s). Voor cliënten met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt ondersteuning naar zelfredzaamheid en sociale activering geboden door onze casemanagers. Zo mogelijk worden zij toegeleid naar diverse leerwerkvormen zoals vrijwilligerswerk, werkervaring met behoud van uitkering en gesubsidieerd werk. De afgelopen periode zijn de oorspronkelijke gesubsidieerde werkvormen uit de regelingen In- en Doorstroombanen en Wet Inschakeling Werkzoekenden zoveel mogelijk gemoderniseerd en omgezet naar minder kostbare en effectievere plaatsingen.


3.1.2 Nieuwe werkwijze van de Dienst
De resultaten van de – in het verleden – ingekochte trajecten naar reïntegratie voldoen niet aan de verwachtingen.
In 2003 leidde 31% van de trajecten tot uitstroom naar werk. In 2004 was dat 23% (dit percentage is exclusief de WIW-trajecten). De toeleiding naar werk via een reïntegratietraject leidt dus niet automatisch tot toetreding op de arbeidsmarkt. Daarom wordt ingezet op een verbeterde toegang tot de arbeidsmarkt. Gezocht is naar verbetering van de reïntegratie-resultaten door mensen niet alleen ‘klaar te stomen’ voor de arbeidsmarkt, maar door daadwerkelijke plaatsingen. De focus is niet langer alleen gericht op de persoon en diens behoefte. Kennis van de arbeidsmarkt vormt de leidraad van de nieuwe werkwijzen.
Het gaat om de volgende nieuwe werkwijzen:
- Work first, waarbij bijstandsaanvragers direct werk krijgen aangeboden voor halve dagen. In de overige tijd wordt begeleiding geboden. Hiervan zijn proefpilots zijn gestart in 2004 en 2005
- Wetterwurk, een project waarbij uitkeringsgerechtigden een leerwerktraject van een jaar krijgen aangeboden waarna plaatsing in een reguliere baan volgt. Dit project is gestart in 2005.
- Gouden Driehoek, waarbij de ‘verborgen vraag en aanbod’ op de arbeidsmarkt aan elkaar gekoppeld worden. De Driehoek bestaat uit kennis van de arbeidsmarkt volgens drie invalshoeken: kennis van de behoefte aan personeel, kennis van het potentiële personeelsaanbod in het cliëntenbestand en kennis van de mogelijke leer-werkplekken. Dit project is in de loop van 2005 gestart.
- Detachering, waarbij uitkeringsgerechtigden na hun traject in dienst worden genomen door een detacheringsbedrijf, dat daarvoor een éénmalige loonkostensubsidie ontvangt. Ook dit project start naar verwachting in de loop van 2005.

3.1.3 Samengevat:

De Dienst voert de twee hoofdtaken van de bijstandswet uit, te weten inkomensondersteuning en ondersteuning naar werk (reïntegratie). Het beleid van de Dienst richt zich op verbetering van de reïntegratiemogelijkheden door een betere aansluiting op de arbeidsmarkt. Hiertoe worden de bestaande methoden verbeterd en nieuwe methoden ontwikkeld.

Hieronder vindt u een beschrijving van de argumenten om over te gaan tot deze vernieuwde aanpak, alsmede een beschrijving van de bestaande reïntegratiemethoden en de nieuwe aanpak.
Tot slot de conclusies ten aanzien van de beleidsplannen en de bijbehorende kosten.


3.2 Maatschappelijke context van reïntegratie

Een eerste argument om te komen tot vernieuwde en effectieve reïntegratiemethoden is
de constatering dat de rijksmaatregelen onvoldoende zijn toegespitst op de lokale en regionale problematiek.
Dit wordt duidelijk uit de onderstaande schets van de landelijke en regionale ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en van de relevante regelgeving; plus de vertaling naar gevolgen voor de doelgroep van de Dienst.

3.2.1 Landelijke en regionale ontwikkelingen op de arbeidsmarkt
In de studie ‘Noordelijke Arbeidsmarkt Verkenning 2004’ van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG), wordt de provincie Fryslân gekenmerkt door een dalende werkgelegenheid, gelijk aan het landelijk gemiddelde. De werkgelegenheid ligt er vooral bij de landbouw, industrie en (bouw-)nijverheid en loopt op het gebied van commerciële dienstverlening sterk achter bij het landelijke gemiddelde. De RuG constateert:
“Fryslân kent een relatief lage arbeidsparticipatie van vrouwen en relatief weinig academisch opgeleiden. De mannen kennen een opvallend hoog percentage werklozen en arbeidsongeschikten in de leeftijdsgroep 45 tot 55 jaar. Verder kent Fryslân een opvallend hoog percentage werkloze jongeren en werklozen met een lagere of middelbare opleiding.”
Er wordt in de nabije toekomst meer werk verwacht voor:
.....- .....lager agrarisch en technisch personeel
.....- .....middelbaar agrarisch, medisch, juridisch-bestuurlijk, beveiligings en transportpersoneel
.....- .....hoger wetenschappelijk pedagogisch en medisch personeel.
De vergrijzing zal tegen 2018 met zich meebrengen dat de potentiële beroepsbevolking afneemt en de sociale lasten toenemen.

3.2.2 Landelijke wet- en regelgeving
Het rijksbeleid richt zich op bevordering van de arbeidsparticipatie door vrouwen, ouderen, allochtonen en deels arbeidsongeschikten en richt zich tevens op een verhoging van de arbeidsproductiviteit.
De maatregelen ter bevordering van de arbeidsparticipatie en bestrijding van de hoge loonkosten staan in de Miljoenennota 2005. Men verwacht dat aanpassing van het sociale stelsel (financiële prikkels) mensen zal stimuleren om sneller aan het werk te gaan.
Maatregelen uit het rijksbeleid 2005 en 2006 ten aanzien van Werk en Inkomen:
- Invoering van de nieuwe Wet werk en bijstand vanaf 2004 met een uitgebreidere en verscherpte sollicitatieplicht
- Oprichting van de Taskforce Jeugdwerkloosheid en extra budget aan de Centra voor werk en inkomen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid
- Prestatieafspraken met de UWV over de trajecten naar werk
- Indicatiestelling voor sociale werkvoorziening overgeheveld naar het CWI vanaf 2005
- Invoering uniforme procedure voor dienstverbanden voor buitenlandse kenniswerkers
- Aanscherping van de WW-voorwaarden in combinatie met een beperktere WW-duur
- Vervallen van de fiscale aftrekbaarheid premies pre-pensioen
- Voorbereiding van een nieuwe pensioenwet
- Wijzigingen in de Ioaw, een verhoogde leeftijdsgrens en afschaffing vermogensvrijlating
- Invoering van specifiek inkomensbeleid voor de financieel zwakste groepen, gecombineerd met loonmatiging voor de overige groepen
- Introductie van een nieuw arbeidsongeschiktheidsstelsel in 2006
- Vereenvoudigen van de combinatie van arbeid en zorg, door invoering van de regeling voor langdurig zorgverlof in de Wet arbeid en zorg, invoering van de nieuwe Wet kinderopvang en door invoering van de levensloopregeling (sparen voor langdurig verlof of vervroegd pensioen)
- Vermindering van de administratieve lasten door betere ICT, betere samenwerking tussen UWV en belastingdienst en vereenvoudiging van de (fiscale-) regelgeving.

3.2.3 Gevolgen van de rijksmaatregelen voor de bijstand
In de WW worden de voorwaarden voor het recht op uitkering aangescherpt, door onder andere uitbreiding van de weken-eis (eerst 26 weken uit 52, nu 39 uit 52), afschaffing van de kortdurende WW-uitkering en door het niet langer mee laten tellen van zorgjaren voor jonge kinderen. Na ontslag zal daarom eerder een bijstandsuitkering worden aangevraagd.
De WAO wordt met ingang van 2006 de WIA: Wet inkomensvoorziening arbeidsongeschikten. Een nieuw stelsel, bestaande uit een regeling inkomensvoorziening voor volledig arbeidsongeschikten (IVA) en een regeling werkhervatting voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA). De WGA kan na 2 jaar leiden tot ontslag en dus tot een aanvraag om bijstandsuitkering. Het zal duidelijk zijn: door de beperkingen in de WW en de WAO zal het bijstandsvolume naar verwachting toenemen. Hoeveel deze toename zal bedragen is nauwelijks te voorspellen. WW- of WAO-(WIA)gerechtigden komen niet in alle gevallen in aanmerking voor bijstand. De schatting van het CWI is dat slechts 5% van de WW-gerechtigden na deze uitkering doorstromen naar een WWB-uitkering.

3.2.4 Gevolgen voor het cliëntenbestand van de Dienst
De doelgroep van de Dienst bestaat voor bijna driekwart uit personen met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt. In 2004 was slechts 10% van het cliëntenbestand ingedeeld in fase 1 of 2, dus direct bemiddelbaar of met een beperkte afstand tot de arbeidsmarkt. Fase 3 bestond uit 16% en 62% was ingedeeld in fase 4. Een restcategorie van 12% was (nog) niet gefaseerd.
Een groot aantal cliënten had een geregistreerde ontheffing van de arbeidsplicht; 20% was ouder dan 57,5 jaar.
Samengevat kenschetst de doelgroep zich voor het overgrote deel als een kansarme groep, met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

3.2.5 Aansluiting tussen Rijksbeleid, beleid van de Dienst en de doelgroep
Het rijksbeleid richt zich op bevordering van de arbeidsparticipatie door vrouwen, ouderen, allochtonen en deels arbeidsongeschikten en richt zich tevens op een verhoging van de arbeidsproductiviteit.
Dit sluit slecht aan op de arbeidsmarktsituatie van Fryslân, waar de werkgelegenheid zich kenmerkt door landbouw, industrie en (bouw-)nijverheid en de lagere scholingsgraad, dus de veelal fysiek zwaardere banen.
De rijksmaatregelen komen niet ten goede van onze kansarme doelgroep. Voor hen zijn financiële prikkels onvoldoende om uit te stromen naar werk, aangezien er sprake is van een zekere onmacht.
Dit maakt de inzet van doelgroepgerichte voorzieningen vanuit de Dienst zelf nodig. Deze voorzieningen richten zich met name op het verkrijgen van meer vaardigheden. Niet alleen vaardigheden ten behoeve van veelgevraagde beroepsgroepen, maar ook sociale vaardigheden zoals zelfredzaamheid, actieve deelname aan de maatschappij en solliciteren.
Maar zelfs het verkrijgen van beroepsgerichte vaardigheden is niet altijd voldoende om werkelijke uitstroom naar regulier werk te verkrijgen. Daarom richten de nieuwe methoden zich nadrukkelijk op het daadwerkelijk plaatsen op de arbeidsmarkt.


3.3 Financiële context van reïntegratie

3.3.1 Budget: inkomen- en werkdeel
Een tweede argument om te komen tot vernieuwde en effectieve reïntegratiemethoden om
uitstroom uit de uitkering naar regulier werk te bevorderen en instroom tegen te gaan, is het betaalbaar houden van de bijstand voor de gemeenten. Dit kan alleen als de omvang van het cliëntenbestand binnen de perken blijft. Zie paragraaf 3.3.2.
Door de financieringssystematiek van de nieuwe Wet Werk en Bijstand kunnen de kosten van bijstand niet meer gedeclareerd worden bij het Rijk. De gemeente, in casu de Dienst, ontvangt een budget dat bestaat uit een inkomensdeel en een werkdeel. Uit het inkomensdeel moeten de uitkeringen en de langdurigheidstoeslagen betaald worden, uit het werkdeel de reïntegratie-activiteiten. Wanneer het aantal bijstandgerechtigden in het rechtsgebied van de Dienst onevenredig toeneemt – dat wil zeggen: meer dan landelijk is ingeschat en ervaren – dan betekent dat een overschrijding van het budget inkomensdeel. Een overschrijding tot tenminste 10% komt voor rekening van de Dienst. Is de overschrijding groter dan 10% dan kan de Dienst de minister om een aanvullende uitkering vragen. Criterium voor de minister bij toekenning van een aanvulling: er moet sprake zijn van een uitzonderlijke situatie op de lokale arbeidsmarkt.
Middelen die de Dienst overhoudt op het werkdeel vloeien terug naar het Rijk. Daarentegen is een overschot in het inkomensdeel vrij besteedbaar.
Het totale indicatieve budget inkomensdeel 2006 bedraagt voor de Dienst (8 gemeenten):
€ 19.739.921. Dit bedrag is ontleend aan de meest actuele indicatieve opgave van het Rijk.

3.3.2 Gevolgen voor de Dienst
Het beschikbare budget inkomensdeel bedraagt dus ruim € 19,7 miljoen. Na aftrek van het bedrag bestemd voor de financiering van de langdurigheidstoeslag in 2006 (€ 0,16 miljoen), resteert een saldo van circa € 19,5 miljoen bestemd voor de verstrekking van uitkeringen. Uitgaande van het gemiddelde bedrag voor een uitkering op jaarbasis – van € 11.465 – betekent dit, dat van het resterende budget circa 1.708 uitkeringen kunnen worden bekostigd.
Dit aantal moet dus worden beschouwd als het WWB-omslagpunt. Met andere woorden: als het aantal uitkeringen in 2006 boven het omslagpunt uitkomt, dan moet de Dienst dit, tot minimaal 10% van het budget inkomensdeel, uit eigen middelen financieren. Komt de Dienst onder dit omslagpunt uit, dan zijn de resterende middelen, zoals reeds aangegeven, vrij besteedbaar.

Naar verwachting zal de de stand van het werkelijk aantal uitkeringen 1.547 bedragen op 31-12-2005.
Zie onderstaand overzicht.

 
Het Bildt
Ferwer-
dera-
diel
Frane-
kera-
deel
Harlin-
gen
Leeuw-
ardera-
deel
Menal-
duma-
deel
Ter-
schel-
ling
Vlie-
land
Totaal
Inkomen . . . . . . . . .
Wwb <21 jaar
4
4
12
8
5
4
0
1
38
Wwb 21-65 jaar
233
132
369
443
97
123
31
9
1437
Wwb >65 jaar
2
3
11
12
1
2
0
2
33
Wwb inrichting
0
2
33
3
1
0
0
0
39
Totaal
239
141
425
466
104
129
31
12
1547

De prognose voor het gemiddeld aantal uitkeringen over het dienstjaar 2006 is 1.625. In dit aantal is de door het Ministerie van SZW geprognotiseerde groei doorberekend.
Zoals aangegeven kan van het beschikbare budget een aantal van 1.708 uitkeringen worden bekostigd. Daarmee blijven voor 2006 de verwachte uitgaven wegens WWB-uitkeringen (net) binnen het budget inkomensdeel. Er zal de Dienst dan ook alles aan gelegen zijn om het aantal uitkeringsgerechtigden binnen de perken (het budget) te houden.


3.4 Ideologische context van reïntegratie.

Missie van de Dienst

‘Inwoners die een beroep kunnen doen op sociale zekerheid, mogelijkheden aanreiken om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving’.

Een laatste argument om te komen tot vernieuwde en effectieve reïntegratiemethoden ligt besloten in de missie van de Dienst, namelijk de mogelijkheden aanreiken om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving. Deze missie kan het beste worden gerealiseerd door werkzoekenden daadwerkelijk aan werk te helpen.
Dit plaatst de activiteiten van de Dienst in een breder perspectief.
Behalve de noodzaak van verbetering vanuit de bedrijfsvoering (‘het huidige beleid van de rijksoverheid, dat zich toespitst op financiële prikkels om de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit te verhogen, sluit niet aan bij de kansarme doelgroep van de Dienst; waardoor het budget inkomensdeel onder druk komt’) neemt de Dienst de verantwoordelijkheid om maatschappelijke participatie mogelijk te maken.


3.5 Beleidsvoornemens en activiteiten 2006

Vanuit de brede taakopvatting van de Dienst met zijn budgetverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de WWB en zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de inwoners, is een samenhangend pakket aan voorzieningen ontwikkeld. Hieronder eerst een beschrijving van de bestaande reïntegratievoorzieningen en de nieuwe voorzieningen.

3.5.1 Voorzieningen voor de korte termijn
Belangrijk is dat de meer kansrijke personen die zich bevinden in fase 1 (direct bemiddelbaar naar werk) en fase 2 (bemiddelbaar na korte begeleiding), niet langer dan noodzakelijk in de bijstand verblijven. Voorzieningen voor deze groepen zorgen voor resultaat op korte termijn. Dit is goed voor de bedrijfsvoering: namelijk uitstroom zonder al te grote investeringen. Maar het is ook goed voor de beeldvorming over de doelgroep en voor de arbeidsvreugde van de casemanagers van de Dienst.
Voorzieningen:
- De arbeidsmarkttoeleiding van met name fase 1 cliënten is een hoofdtaak voor het Centrum van Werk en Inkomen (CWI) dat inzicht heeft in de lokale en regionale vacatures
- De casemanagers van de Dienst zorgen aanvullend hierop voor activering en controling van deze fase 1 doelgroep en waar nodig voor de inzet van specifieke instrumenten
- Indien nodig worden voor de fase 2 cliënten specifieke, kortdurende, trajecten ingezet die worden geleverd door RIB’s
- De WWB-verordening van de Dienst biedt inzetbare financiële prikkels zoals de uitstroompremie vanaf fase 2 of juist negatieve prikkels zoals maatregelen bij onvoldoende sollicitatieactiviteiten.

3.5.2 Voorzieningen voor de langere termijn
Voorzieningen voor de kansarmere personen ingedeeld in fase 3 (bemiddelbaar na langduriger begeleiding) of fase 4 (bemiddelbaar na langdurige en intensieve begeleiding), zorgen voor resultaat op langere termijn. Voorkomen dient te worden dat deze groep de afstand tot de arbeidsmarkt onmogelijk kan overbruggen. Tevens moet worden voorkomen dat zij in een sociaal isolement terechtkomt. Tot slot zijn voorzieningen nodig om te voorkomen dat deze groep zich uitbreidt tot een omvang die niet meer te financieren is vanuit het inkomensbudget van de Dienst.
Voorzieningen:
- De toeleidingen naar RIB’s en de trajecten naar Zelfredzaamheid en Sociale Activering worden uitgevoerd door de eigen casemanagers van de Dienst. Zij kopen daarvoor instrumenten in zoals: Integrale Diagnoses, Vrijwilligerswerktrajecten, PC project, scholing en kinderopvang
- Kostbare voorzieningen zoals de vroegere regelingen In en Doorstroombanen en Wet inschakeling Werkzoekenden worden afgebouwd en vervangen door betaalbare, effectievere werkervaringsplaatsen via gespecialiseerde RIB’s.
- De reïntegratieverordening voorziet in mogelijke subsidies aan werkgevers
- Waar mogelijk worden cliënten door de casemanager toegeleid naar trajecten richting op werk. Deze trajecten richting werk worden geleverd door gespecialiseerde RIB’s.
- Voorzieningen in de vorm van ingekochte trajecten worden ook ingezet voor personen die (nog) geen bijstandsuitkering ontvangen maar voor wie een reïntegratievoorziening nodig is, de zogenaamde Nuggers en Anw-gerechtigden

3.5.3 Verbetering bestaande voorzieningen
Binnen de bestaande voorzieningen wordt continu gezocht naar mogelijkheden tot verbetering, waardoor de voorziening effectiever is.
a. Monitoring en resultaatmeting van ingekochte reïntegratie-trajecten.
- Door invoering en evaluatie van het nieuwe registratiesysteem zal in 2005 en 2006 duidelijker worden, welke trajecten en welke reïntegratiebedrijven (RIB) de gewenste resultaten geven. Een resultaatmeting in deze materie is complex en wordt landelijk als een probleem gezien. Er zijn vele factoren van invloed. Vooraf moet duidelijk zijn wat er geregistreerd en gemeten wordt. Met de RIB’s moeten meetbare afspraken gemaakt worden.
- Ook de registratie van cliënten als potentiële werknemers, dus met hun vaardigheden en capaciteiten, verbetert met de invoering van dit systeem.
b. Verbetering van de samenwerking met het CWI en UWV.
- Het CWI heeft een preventieve functie in die zin, dat cliënten daar eerst een werkintake krijgen alvorens een uitkeringsintake. Daarnaast zet het CWI instrumenten in voor Voortijdig Schoolverlaters en jongeren, die overigens worden bekostigd door de Dienst.
- Gestreefd wordt naar verbetering van de samenwerking met het CWI en UWV, bijvoorbeeld door afspraken te maken over de te verwachten toestroom naar de Dienst, over de trajectkosten van zogenaamde samenlopers en door uitwisseling van gegevens over de arbeidsmarkt en uit eventuele arbeidsgeschiktheid keuringen.
- Het CWI voert een landelijk beleid waarin ingaande 2005 de huidige indeling in 4 fasen wordt vervangen door een indeling naar route A of route B cliënten. Route A staat voor een periode van activering en bemiddeling door het CWI en route B voor de directe overheveling naar de Dienst voor reïntegratie-activiteiten. Gedurende 2005 en 2006 zullen de werkafspraken tussen CWI en de Dienst hierop afgestemd moeten worden.

3.5.4 Nieuwe reïntegratievoorzieningen
Op het moment van schrijven zijn vier projecten in ontwikkeling of pas gestart, die zijn gericht op een verbeterde toegang tot de arbeidsmarkt. De verbetering bestaat uit het niet alleen ‘klaar te stomen’ voor de arbeidsmarkt, maar aansturen naar werkelijke plaatsing op de arbeidsmarkt.

Uitgangspunt nieuwe reïntegratiemethoden:

Uitgangspunt is de vraag van de arbeidsmarkt. Door verbetering van onze kennis van de arbeidsmarkt en de behoefte aan personeel op korte en langere termijn, kunnen we cliënten gerichter voorbereiden op deze arbeidsmarkt en de toegangspoort naar de arbeidsmarkt openen.

Wurkjendewei
Dit is het Work first project waarbij uitkeringsgerechtigden direct aan het werk worden gezet als zij een bijstandsuitkering aanvragen en er dus een prestatie voor behoud van uitkering wordt gevraagd.
Uitkeringsgerechtigden krijgen halve dagen onder begeleiding werk geboden door een gespecialiseerd RIB in samenwerking met werkgevers. De overige tijd wordt begeleiding geboden door de casemanagers in de vorm van activering en control. Waar nodig kan het werk ook worden gecombineerd met een traject.
Voordelen van deze aanpak zijn: preventie van instroom, het behoud van werkritme, het opdoen van werkervaring, de motiverende werking van de groep, een beter zicht op het functioneren van de deelnemers en daarmee een betere indicatie van de behoefte aan reïntegratie-instrumenten. Van dit project wordt ook een verbetering in de samenwerking verwacht tussen het CWI en de casemanagers van de Dienst en de RIB’s, waardoor reïntegratietrajecten effectiever verlopen.
De eerste pilot is eind 2004 gestart met een percentage (ongeveer 20%) van de aanvragers en is in de loop van 2005 voortgezet. Afhankelijk van de evaluatiegegevens zal het project worden voortgezet en mogelijk uitgebreid naar alle aanvragers. De kosten bestaan voornamelijk uit de kosten van begeleiding door het RIB en worden vooralsnog geschat op € 8.500 per maand dus € 102.000 per jaar.

Wetterwurk
Dit project is ontstaan door een samenwerking van de Dienst met de Frysian Yachtclub en opleidingscentrum de Friese Poort. De Frysian Yachtclub heeft hun te restaureren gebouw ter beschikking gesteld als leerwerk object. De Friese Poort kan de bijbehorende vakgerichte scholing leveren, de Dienst levert tussen de 80 en 120 werkzoekenden uit het bestand die aan dit project kunnen deelnemen. Deze deelnemers kunnen na een jaar scholing en werkervaring te hebben opgedaan doorstromen naar regulier werk in de lokaal kansrijke sectoren bouwnijverheid en techniek.
Het project zal in 2005 starten en zal naar verwachting 1 of 2 jaar duren. De kosten bestaan uit scholing en begeleiding en bedragen naar schatting € 3.000 per traject. Uitgaande van 100 trajecten, totale kosten dus € 300.000.

Gouden Driehoek
De Gouden Driehoek koppelt de ‘verborgen vraag en aanbod’ op de arbeidsmarkt. De Driehoek bestaat uit kennis van de arbeidsmarkt volgens drie invalshoeken: kennis van de behoefte aan personeel, kennis van het potentiële personeelsaanbod en kennis van de mogelijke leer-werkplekken.
Kennis van de werkgelegenheid:
Daarbij worden potentiële werkgevers actief benaderd om zo vacatures te vinden.
Ervaring leert immers dat werkgevers lang niet alle vacatures bij het CWI plaatsen. Ook schrikken werkgevers terug voor het werven van personeel uit ons cliëntenbestand. Veel werkgevers uit het midden en kleinbedrijf geloven overigens niet dat zij op korte termijn moeilijker personeel zullen vinden. De werkgevers worden benaderd met behulp van een jobhunter en de bestaande contacten zoals provincie, CWI en branche-organisaties.
Kennis van potentieel personeel:
Een gespecialiseerde medewerker zal met behulp van een verbeterde cliëntregistratie gerichter kunnen zoeken naar potentieel. Dit onderzoek richt zich op capaciteiten en vaardigheden en niet zozeer diploma’s. De casemanagers weten op persoonsniveau welke ondersteuning nodig is. Bovendien is na plaatsing nazorg nodig.
Kennis van de leerwerkplaatsen:
Een gespecialiseerde medewerker zal werkgevers benaderen voor de werving van alle mogelijk vormen van leer-werkplekken. Uit CWI-gegevens blijkt immers dat werkgevers veel belang hechten aan werkervaring. Op deze leerwerk -plekken worden werkzoekenden opgeleid en voorbereid op betaald werk.
Verwacht wordt in de loop van 2005 stapsgewijs met deze aanpak te starten en in 18 maanden tijd circa 200 plaatsingen te realiseren. De voornaamste kosten zijn de kosten van de externe prjectadviseur en worden geraamd op circa € 100.000 per jaar.

Detacheringsplan
Bij de huidige trajectinkoop voor fase 2 en 3 bij een RIB, beoordeelt het RIB na de toeleiding en aanmelding door de Dienst of zij de persoon een traject kunnen aanbieden. Het RIB stelt hiervoor een plan op en begeleidt vervolgens de cliënt conform dit plan.
De verantwoordelijkheid voor de uitstroom naar werk van de cliënt blijft bij de Dienst. Gestreefd wordt naar een situatie waarbij het RIB de functie van werkgever op zich neemt en de cliënt ook een dienstbetrekking biedt. De Dienst ontvangt dan voor de betaalde voorziening ook de gewenste werkelijke uitstroom.
Het plan is om in de loop van 2005 en 2006 bedrijven bereid te vinden, die cliënten na afronding van een leerwerktraject of ander traject daadwerkelijk in dienst te nemen en hen, bijvoorbeeld via detachering, te plaatsen in regionaal kansrijke sectoren als zorg, schoonmaak of callcentra.
Het detacheringsbedrijf ontvangt van de Dienst een vergoeding in de vorm van een loonkostensubsidie, voor het verwerven van werkplekken, het begeleiden en in dienstnemen van personeel en het bieden van nazorg.
Uitgaande van een éénmalige loonkostensubsidie van bijvoorbeeld € 8.000 per plaatsing voor ongeveer 25 plaatsingen, is hier een bedrag van € 200.000 mee gemoeid. Daar staat tegenover dat de kosten van uitkering worden uitgespaard van 25 x ad € 11.465 = € 286.625 per jaar.


3.6 Conclusies beleid 2006

3.6.1 Algemene beleidsdoelen:
De Dienst hanteert de brede doelstelling dat zij ondersteuning wil bieden waardoor personen in staat worden gesteld uit te stromen naar regulier werk of, als dat nog niet mogelijk is, op andere wijze actief deel te nemen aan de maatschappij. De Dienst ontwikkelt en verbetert daarvoor eigen beleid.
De beleidsinstrumenten zijn – samengevat – onder te verdelen in:
.....- .....Voorzieningen voor de korte termijn, gericht op de doelgroepen in fase 1 en 2
.....- .....Voorzieningen voor de langere termijn, gericht op de doelgroepen in fase 3 en 4
.....- .....Verbetering van de bestaande voorzieningen
.....- .....Nieuwe reïntegratievoorzieningen
De nieuwe voorzieningen zijn vooral gericht op een betere aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en gaan verder dan de toeleiding van cliënten tot de arbeidsmarkt. Toekomst wordt gezien in projecten die leiden naar concrete uitstroom.
Belangrijk voor het goed functioneren van alle voorzieningen is dat de Dienst zorgt voor een goede onderlinge afstemming en samenwerking tussen partners die de voorzieningen leveren. De Dienst heeft hierin een regie rol.
Hoewel uit onderzoeksgegevens (APE rapport) blijkt dat de Dienst de afgelopen periode goede resultaten heeft geboekt in het beperken van de kans op bijstand en het vergroten van de kans op uitstroom naar werk, blijft het ambitieniveau ongewijzigd hoog.
De Dienst zet in op preventie van instroom in de uitkering enerzijds en verbetering van de doorstroom en uitstroom anderzijds.


3.6.2 Ambities vertaald naar concrete beleidsdoelen:
.....- .....Preventiequote instroom aanvragers in de uitkering was: 21% (2004) moet worden 27% (2006).
.....- .....Doorstroom van fase 4 naar fase 3; van 3 naar 2 en van 2 naar 1 inzichtelijk maken en verbeteren.
.....- .....Gemiddelde uitstroompercentage uit de uitkering: was 42% verhogen naar 50%
.....- .....Implementeren van de nieuwe reïntegratiemethoden in de organisatie.

3.6.3 De kosten
Onderstaande aantallen en percentages zijn gebaseerd op de meest actuele, bekende, cijfers uit 2004.
Voorzieningen voor de korte en langere termijn:
- Van het cliëntenbestand is ongeveer 4 % ingedeeld in fase 1. Hiervoor zijn in een jaar tijd 73 trajecten activering en control gestart door de casemanagers zelf. Kosten uren personele inzet fase 1: € 54.465
- Van het cliëntenbestand is ongeveer 22% ingedeeld in fase 2 en 3. Hiervoor zijn in een jaar tijd 74 trajecten ingekocht. Kosten ad € 279.686
- Van het cliëntenbestand is ongeveer 62% ingedeeld in fase 4. Kosten voor fase 4 bestaan uit:
Leerwerkhuis (werken met behoud van uitkering) .....€ 261.419
Sociale activering .................................................€ 150.897
Zelfredzaamheid ...................................................€ 41.693
Werkervaringsplaatsen ..........................................€ 38.897
Arbeidspool (werken met subsidie) .........................€ 2.177.974
WIW inclusief uitvoeringskosten .............................€ 696.931
ID ........................................................................€ 1.163.267
Resteert nog:
overige kosten doelmatigheid .................................€ 537.586
trajcten voor nuggers en Anw ers fase 1,2, 3 en 4 ....€ 61.405
Verbetering van de bestaande voorzieningen
- Deze kosten behoren tot de bedrijfs- en ontwikkelkosten en worden zoveel mogelijk ten laste van het werkdeel gebracht. Het gaat hierbij onder andere om de kosten van een registratiesysteem en personele kosten ten behoeve van beleidsontwikkeling en samenwerkingsafspraken met de ketenpartners.
Ontwikkelingen van nieuwe voorzieningen
- Work first project Wurkjendewei, kosten € 102.000 per jaar. Naar verwachting nemen de kosten toe naarmate er meer deelnemers geplaatst worden. Daarmee zal ook het rendement in de vorm van verbeterde uitstroom en instroompreventie toenemen.
- Wetterwurk, kosten € 300.000 per jaar. Naar verwachting is het rendement een uitstroom van 70 uitkeringsgerechtigden gerekend over een periode van twee jaren.
- Gouden Driehoek, kosten € 100.000 per jaar. Naar verwachting is het rendement een uitstroom van 100 uitkeringsgerechtigden in 18 maanden tijd.
- Detacheringsplan. Uitgaande van een loonkostensubsidie van bijvoorbeeld € 8.000 per plaatsing voor ongeveer 25 plaatsingen, is hier een bedrag van € 200.000 mee gemoeid. Daar staat tegenover dat de kosten van uitkering worden uitgespaard van 25 x ad € 11.465 = € 286.625 per jaar.

3.6.4 Conclusies ten aanzien van de kosten van reïntegratievoorzieningen:
Uitgaande van de bestedingen ten laste van het werkdeel, gebaseerd op de Vodu-gegevens 2004, werd tussen de 20% tot 25% van de middelen ingezet voor de bestaande voorzieningen fase 1, 2 en 3 cliënten en 80% tot 75% van de beschikbare middelen voor fase 4 cliënten.
Door de inzet van nieuwe reïntegratiemethoden die rechtstreeks toeleiden naar werk, wordt een groter deel van de middelen uit het werkbudget ingezet voor fase 1, 2 en 3 cliënten, zonder dat dit ten koste gaat van voorzieningen voor fase 4 cliënten.
In 2004 is ruim 60% van het werkdeel WWB besteed aan bestaande voorzieningen.
Het niet bestede deel kan gedeeltelijk worden ‘meegenomen’ naar het volgende kalenderjaar. Zowel in 2003 als in 2004 is gebruik gemaakt van deze meeneemregeling (in 2004 is € 2.587.186 meegenomen naar 2005). Er is daarmee voldoende budget in het werkdeel WWB beschikbaar voor verbetering van de bestaande en ontwikkeling van nieuwe reïntegratievoorzieningen.

4. Inkomenswaarborg


4.1 Inkomenswaarborg als onderdeel van de missie van de dienst

Met het bieden van de inkomenswaarborg aan de burgers wordt in de meest elementaire behoefte voorzien om te kunnen deelnemen aan de samenleving.


4.2 Instrumenten

- .....Wet werk en bijstand (WWB)
- .....Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
- .....Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)
- .....Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ)


4.3 Wet werk en bijstand (WWB)

De WWB is per 1 januari 2004 ingevoerd. Het kenmerkend uitgangspunt van deze wet is: “Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege” (artikel 11, lid 1, WWB).

4.3.1 Beleidsuitwerking WWB

Centraal vastgestelde normbedragen algemene bijstand
De WWB hanteert de volgende normensystematiek:
- .....Gehuwden: 100% netto minimumloon
- .....Alleenstaande ouders: 70% netto minimumloon
- .....Alleenstaanden: 50% netto minimumloon

Methodiek van verhogingen en verlagingen van de normbedragen algemene bijstand (artikel 25 t/m artikel 30 WWB)
De WWB biedt de gemeenten de mogelijkheid om – uiteraard binnen bepaalde grenzen – aanvullende beleid te ontwikkelen op de rijksnormen algemene bijstand: verhogingen en / of verlagingen. Verhogingen of verlagingen doen zich voor wanneer de situatie van de belanghebbende niet beantwoordt aan het uitgangspunt van de rijksnorm.
- .....Alleenstaande (ouder)
De landelijke uitkeringsniveaus voor alleenstaanden en alleenstaande ouders (resp. 50 en 70 procent netto minimumloon) veronderstellen dat de betrokkene de kosten geheel met een ander kan delen.
Is dit niet het geval, dan biedt de WWB de mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader onderscheid, de maximale toeslag – 20 procent van het netto minimumloon – te verstrekken. Met een maximale toeslag bedraagt de totale bijstandsuitkering dan ook voor alleenstaanden of alleenstaande ouders respectievelijk 70 en 90 procent van het netto minimumloon. Dit wordt toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten voor alleenstaanden en alleenstaande ouders.
- .....Gehuwden
De verlening van een toeslag aan gehuwden is niet aan de orde. Voor hen geldt immers de
maximale landelijke norm van 100 procent.
Ingeval de gehuwden de kosten van levensonderhoud met een ander kunnen delen, is dit reden om de landelijke norm te verlagen met 10% van het netto minimumloon.
- .....Woonsituatie
Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. In deze gevallen wordt een verlaging van 20% van het netto minimumloon toegepast.
- .....Schoolverlaters
De WWB biedt de mogelijkheid om de landelijke norm of de toeslag lager vast te stellen als de belanghebbende recent zijn scholing of beroepsopleiding heeft beëindigd. Waar de belanghebbende tijdens de studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering, nemen zijn noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. De verlaging – 10% van het netto minimumloon – van de bijstandsuitkering vindt plaats in de periode van een half jaar na de beëindiging van de scholing of de beroepsopleiding.
- .....Alleenstaande van 21 of 22 jaar
Voor personen jonger dan 23 jaar gelden leeftijdsgerelateerde minimumjeugdlonen. Om werkloosheidsval-effecten te voorkomen, dient er een juiste afstemming te zijn tussen de verdiencapaciteit van jongeren en de bijstandsnormen. Derhalve geen toeslag voor alleenstaanden van 21 of 22 jaar om te voorkomen dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte daarvan zodanig is dat de prikkel tot uitstroom naar de arbeidsmarkt zou worden belemmerd.

Inkomenstoets
- .....Algemene vrijlating arbeidsinkomsten
De WWB kent slechts een beperkte algemene inkomstenvrijlating Het betreft een vrijlating van inkomsten uit arbeid gedurende maximaal zes maanden aaneengesloten. Hoogte: 25% van de betreffende inkomsten maar ten hoogste € 165 per maand.

Langdurigheidstoeslag
- .....Uitkeringsgerechtigden 23 - 65 jaar
Nieuw, ten opzichte van de Abw, in de WWB is de bepaling op grond waarvan mensen tussen 23 jaar en 65 jaar, die minstens vijf jaar ononderbroken aangewezen zijn geweest op een inkomen op het sociale minimum, in aanmerking kunnen komen voor een aanvullende toeslag: de langdurigheidstoeslag. Met de invoering van deze langdurigheidstoeslag wordt bereikt dat er op het moment van uitbetaling daarvan ruimte ontstaat binnen het budget van de belanghebbende waaruit hogere kosten kunnen worden voldaan, bijvoorbeeld voor vervangingsuitgaven. Voor de hoogte van de langdurigheidstoeslag heeft de Minister van SZW aansluiting is gezocht bij de – in het verleden reeds verhoogde – uitkeringsnorm die geldt voor gehuwde personen van 65 jaar en ouder. Deze norm is gelijk aan de netto uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet en weerspiegelt de inkomensverbetering die indertijd reeds is doorgevoerd voor deze doelgroep.
De Dienst verstrekt de langdurigheidstoeslag uitsluitend op aanvraag.


4.4 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)

De IOAW is, bij de vervanging per 1 januari 2004 van de Abw door de WWB, in stand gebleven. Het is de bedoeling dat de regelgeving voor de doelgroep (zie titel van de wet) op termijn wordt aangepast: de leeftijdsgrens voor toelating van de zgn. ‘oudere’ werknemers – thans 57,5 jaar – wordt omhooggebracht en de vermogensvrijlating wordt gewijzigd.

4.5 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

Ook de IOAZ is – evenals de IOAW – bij de vervanging per 1 januari 2004 van de Abw door de WWB, in stand gebleven. Het is de bedoeling dat deze regelgeving voor de doelgroep (zie titel van de wet) op termijn wordt ondergebracht onder de werking van een nieuwe Wet inkomensvoorziening zelfstandigen (WIZ).

4.6 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ)

Het BBZ is bij de vervanging per 1 januari 2004 van de Abw door de WWB, in stand gebleven. Het is de bedoeling dat deze regelgeving voor de doelgroep (zie titel van de wet) op termijn wordt ondergebracht onder de werking van een nieuwe Wet inkomensvoorziening zelfstandigen (WIZ).


4.7 Regionale uitvoering IOAZ en BBZ

De Dienst heeft de uitvoering van de IOAZ en het BBZ overgedragen aan een regionaal uitvoeringsorgaan: Bureau Zelfstandigen Fryslân (BZF). Een samenwerkingsverband – sinds 2004 – van achttien (meegerekend de acht bij de Dienst aangesloten) gemeenten. De uitvoering vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de GSD Leeuwarden. De vestiging van het frontoffice van het BZF bevindt zich in het gebouw van de Kamer van Koophandel te Leeuwarden. Voordeel hiervan is dat het frontoffice bereikbaar is via de ‘looppaden’ van het bedrijfsleven. Dit is zowel voor gevestigde zelfstandigen als ook voor de starters van belang.


4.8 Financiering BBZ, IOAW en IOAZ

Deze regelingen blijven – in afwachting van nieuwe wetgeving – op dezelfde wijze gefinancierd als onder het regime van het Fonds Werk en Inkomen zoals dat, voor 1 januari 2004, gold onder de Algemene bijstandswet: de toegekende uitkeringen en de daarmee verband houdende uitvoeringskosten komen ten laste van de Dienst. Waarna vervolgens – op declaratiebasis – door het Rijk 75% van dit totaal wordt vergoedt.

5. Zorg


5.1 Inleiding

Het taakveld Zorg van de Dienst bestaat de volgende componenten:

Beide componenten dragen het predikaat zorgverlening “op maat”. Het betreft namelijk steeds de individuele burger in zijn of haar individuele situatie, die door middel van de op die situatie afgestemde zorgverlening minder belemmering ondervindt in het actief deelnemen aan de maatschappij.


5.2 Landelijke, maatschappelijke, ontwikkelingen

Een drietal sporen in de ontwikkeling van het beleid van de centrale overheid hebben een directe invloed op het lokale, regionale zorgterrein. En dus ook op het taakveld Zorg van de Dienst.

Uit vorenstaande opsomming blijkt al dat in veel gevallen de zorgbehoefte (de vraag naar verstrekking van zorgvoorzieningen in natura) en de financiële behoefte (vraag om tegemoetkoming in inkomenstekorten) door elkaar lopen. En daarmee steeds meer een integrale benadering vragen.

5.2.1 De Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO)
Sinds de jaren 2003 / 2004 is er, vanuit de Rijksoverheid, het nodige in beweging gezet op het gebied van de zorg: de ontwikkeling van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) die – onder meer – tot gevolg heeft dat
- de Wet voorzieningen gehandicapten in zijn huidige vorm vervalt
- de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) wordt gemoderniseerd (afgeslankt)
- de Welzijnswet in zijn huidige vorm vervalt
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de WMO komt bij de gemeenten te liggen
- .....Wat behelst de WMO
Een eerste Contourennota naar de nieuwe wet is in december 2004 in de Tweede Kamer behandeld. Vervolgens is een ontwerp van wet – in februari 2005 – om advies naar de Raad van State verzonden. Het (concept) wetsontwerp benoemt acht prestatievelden, waarvoor de verantwoordelijkheid voor de uitvoering wordt neergelegd bij de gemeenten:
1) het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;
2).op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden;
3).het geven van informatie en advies;
4) het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;
5).het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch.probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;
6).het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer;
7).het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder sociale pensions en vrouwenopvang;
8).het voeren van verslavingsbeleid.

De Staatssecretaris VWS schrijft over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning o.a. aan de Tweede Kamer: “Naast de AWBZ zijn aanvullende voorzieningen nodig die het beste op lokaal niveau kunnen worden georganiseerd. Gemeenten gaan immers over de samenhang met wonen, mobiliteit en welzijn. Het Kabinet wil daarom een wettelijke grondslag voor een stelsel, waarin de huidige verantwoordelijkheid voor de WVG en de Welzijnswet alsmede de verantwoordelijkheid voor een vangnet voor de niet medisch georiënteerde zaken samenkomen: de Wet maatschappelijke ondersteuning.”

5.2.2 Positie senioren
Regelmatig treft de Rijksoverheid maatregelen in de inkomenssfeer van de 65-plussers in onze samenleving. In het nabije verleden zijn de uitkeringsbedragen Algemene ouderdomswet (AOW) reeds structureel verhoogd ten opzichte van het sociaal minimum dat geldt voor personen jonger dan 65 jaar. Recentelijk – februari 2005 – heeft het kabinet nog ingestemd met een maatregel voor ouderen zonder of met slechts een klein aanvullend pensioen op de AOW: een verhoging van de AOW met € 40 per persoon op jaarbasis. Het kabinet beantwoordde hiermee aan de ‘maatschappelijke signalen’ via de Tweede Kamer (motie Verburg) om wat te doen aan de verbetering van de koopkracht van ouderen met weinig inkomen.
De Staatssecretaris van SZW, heeft – eveneens op aandringen van de Tweede Kamer – begin 2005 een brief naar de gemeentebesturen gezonden. Daarin worden de gemeenten opgeroepen om op actieve wijze invulling te geven aan de bijzondere bijstand voor deze doelgroep en aan de terugdringing van het niet-gebruik bijzondere bijstand.

5.2.3 Chronisch zieken en gehandicapten
In de loop van de jaren 2003 en 2004 heeft het Rijk driftig bezuinigd op de uitgaven Ziekenfondswet en AWBZ. Toen bleek dat dit, met name voor de minima onder de chronisch zieken en gehandicapten, een forse daling van het besteedbaar inkomen betekende, zijn voor deze groep compenserende maatregelen getroffen. Op aandringen van de Tweede Kamer heeft het Kabinet voor 2003 / 2004 een eenmalige toevoeging gedaan (€ 80 miljoen aangevuld met opbrengsten uit ander fondsen tot plm. € 120 miljoen) aan het Gemeentefonds. Vervolgens is in 2004 besloten om de bijdrage aan het Gemeentefonds structureel te verhogen met € 25 miljoen. Hiermee kunnen gemeenten extra middelen bijzondere bijstand voor deze groep inzetten. Daartoe heeft het Ministerie van SZW zelfs een handreiking voor de toepassing van bijzondere bijstand aan de gemeenten gezonden. Waarvan de Dienst, op onderdelen, gebruik van heeft gemaakt. Zie in dit verband paragraaf 5.3.2 (collectieve aanvullende ziektekostenverzekering).


5.3 Gevolgen voor de gemeenten in casu de Dienst

5.3.1 WMO
- ........De hoofdlijnen
In grote lijnen betekent de invoering van de WMO het navolgende voor de gemeenten.
- De hoofdlijnen zijn, zoals eerder reeds aangegeven, dat de WVG, de Welzijnswet en delen van de AWBZ opgaan in de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Daarnaast kondigt het kabinet aan dat de WMO in de toekomst kan worden uitgebreid met (GGD-)activiteiten uit de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) en veranderende taken van de gemeenten in het jeugdbeleid
- Het Kabinet hanteert bij de presentatie van de WMO de slogan ‘niet leunen maar steunen’: “De overheid compenseert niet automatisch iedere organisatorische, financiële of lichamelijke beperking bij burgers om maatschappelijk actief te kunnen zijn met voorzieningen. Dat zou onnodig afhankelijkheid, ‘leungedrag’, uitlokken. En dat is precies het tegenovergestelde van wat de WMO beoogt, namelijk: niet leunen maar steunen.”
- De WMO is een kaderwet. Over de verhouding tussen Rijk en gemeenten ten aanzien van de WMO schrijft het kabinet aan de Tweede Kamer: “Dit betekent voor de WMO dat de rijksoverheid als wetgever de omvang van het speelveld en de regel vaststelt....”.
- Beleidsvrijheid en regierol van de gemeenten. “Binnen randvoorwaarden kunnen partijen lokaal, onder regie van de gemeente, zelf invullen hoe zij de wet uitvoeren. De rijksoverheid blijft op afstand, maar is wel verantwoordelijk voor het systeem van de WMO als geheel en daarmee aan te spreken op de maatschappelijke resultaten van de wet wanneer die onder de maat zijn.”
- De prestatievelden bewegen zich op een breed terrein van maatschappelijke ondersteuning. Het gaat dus enerzijds om algemene – gemeenschappelijke – voorzieningen gericht op zelfredzaamheid van de burger en zijn maatschappelijke participatie. Anderzijds om het verstrekken van individueel geïndiceerde voorzieningen van maatschappelijke zorg.
- De financiering. Over de financiering van de gemeenten hanteert het kabinet het standpunt dat via het Gemeentefonds de bedragen zullen worden toegevoegd zoals die nu gelden voor de Welzijnswet en de WVG. Voor de overheveling van de AWBZ-taken geldt een specifieke uitkering met een looptijd van 4 jaren.
- Volgens het kabinet geven gemeenten op dit moment € 3 miljard uit aan welzijn en € 1 miljard aan de WVG. De schatting van het geld dat gemoeid is met de AWBZ-taken – als die in volle omvang zijn overgaan naar de gemeenten – bedraagt € 1,6 miljard.
- De overheveling van de AWBZ-taken zal fasegewijs gebeuren. Op moment van schrijven is in ieder geval duidelijk dat de component (enkelvoudige) huishoudelijke verzorging – als eerste fase – per 1 januari 2006 in de WMO wordt ondergebracht.
- ........Tijdpad van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning
a) Voorjaar 2004: Contourennota Wet Maatschappelijk Ondersteuning (WMO).
b) Najaar 2004: Ontwerp WMO gereed.
c) 2005: Bestuurlijke besluitvorming en voorbereiding implementatie WMO.
d) 2006: Invoering van de WMO.
- ........Taskforce WMO Noardwest Fryslân
Bestuur en directie van de Dienst zijn door de Colleges van burgemeester en wethouders van de aangesloten gemeenten verzocht om de ontwikkelingen van de WMO in nauwe samenwerking met de aangesloten gemeenten te volgen en te communiceren en hen van advies te dienen. Daartoe is – in 2004 reeds – een Taskforce WMO Noardwest Fryslân ingesteld: een groep bestaande uit twee vertegenwoordigers van de Dienst (directie en beleid) en de beleidsmedewerkers welzijnszaken van de acht aangesloten gemeenten. De Taskforce heeft inmiddels een Kadernota opgesteld waarin een drietal varianten worden aangedragen in de wijze van gezamenlijke uitvoering van de WMO. Besluitvorming over de te volgen weg zal in de periode april – juni 2005 plaatsvinden. Op tijdstip schrijven van dit stuk is nog niet duidelijk of-, en zoja: op welke schaal en in welke omvang, de gemeenten zullen samenwerken bij de uitvoering van de WMO.
De Dienst volgt de ontwikkelingen van de WMO op de voet zodat – wanneer de uitvoering van de WMO mogelijkerwijs zou leiden tot taakuitbreiding van de Dienst – hierop alert kan worden ingesprongen.

5.3.2 Positie senioren
Steeds meer is in de loop van de afgelopen jaren duidelijk geworden dat de financiële positie van de senioren die moeten rondkomen van het sociaal minimum verslechtert. Dit wordt in de hand gewerkt door de – met het klimmen der jaren – ook toenemede zorgbehoefte in de brede zin van het woord. Ten gevolge van de bezuinigingen gezondheidszorg (AWBZ en Ziekenfondswet) wordt steeds meer een beroep gedaan op de eigen financiële draagkracht. Gevolg: zodra men de weg niet weet om aanvullende ondersteuning (bijzondere bijstand) te vragen, leidt dit tot stille, soms schrijnende, armoede. Om dit te voorkomen wenst de Dienst een werkwijze te ontwikkelen om deze groep burgers
op een laagdrempelige manier met bekend te maken met de voorzieningen die de Dienst kan bieden:
- ........Project Benadering Senioren 75+
Benadering doelgroep
Uit benchmarking met andere, qua omvang, soortgelijke gemeenten als de Dienst blijkt dat de Dienst laag ‘scoort’ als het gaat om het totaalbedrag (per jaar) uitgaven bijzondere bijstand per hoofd van de doelgroep: Dienst € 170; de overige benchmarkgemeenten (gemiddeld) € 285.
In het nabije verleden 2002 /2003 heeft de Dienst reeds, in samenwerking met de CHN Leeuwarden een pilot georganiseerd: huisbezoek aan zelfstandig wonende senioren 75+. Ook daaruit bleek de behoefte tot benadering van deze doelgroep.
Thans bestaat het plan om de doelgroep te benaderen met een meer ‘subtiele’ aanpak. Namelijk, gebruikmaking van een reeds bestaand netwerk dat ook het vertrouwen van de doelgroep geniet: de ouderenwerkers / -adviseurs. Op deze indirecte wijze kan een gerichte(re) benadering plaatsvinden naar de groep mensen die het ook echt nodig heeft. Trefwoorden daarbij: signaleren, informeren en adviseren. Zowel naar de burger alsook naar de Dienst.
Eerste verkenning
Eind 2004 heeft een eerste verkenning plaatsgevonden met een organisatie die zich op het ouderenterrein bezighoudt. De voorgestelde werkwijze is met enthousiasme ontvangen. Kortom: men ziet mogelijkheden tot meewerken aan een projectmatige en gerichte werkwijze tot armoedebestrijding onder de doelgroep ouderen (75+). Het zal echter niet bij deze eerste ‘verkenning’ moeten blijven. De Dienst heeft zich voorgenomen dat de aanpak ‘Dienstbreed’ moet zijn. Dat betekent dat in de loop van 2005 ook de andere in het rechtsgebied van de Dienst werkzame organisaties op dit terrein zullen zijn benaderd om tot een gezamenlijke, identieke, aanpak te komen. Waarbij het streven is om het project in 2006 operationeel te hebben.
Financiering
Het zal duidelijk zijn: een dergelijke aanpak kost voor de ouderenorganisaties ongetwijfeld meer investering in tijd. Er zullen meer uren beschikbaar moeten worden gesteld. Daaruit volgt onvermijdelijk dat het ook meer geld kost.
Het bestuur van de Dienst heeft daarom besloten een soort van basisvergoeding (jaarlijks) aan de ouderenorganisaties, waarmee wordt samengewerkt, beschikbaar te stellen. Te bestemmen voor aanpassing, inpassing en uitvoering van een gerichte werkwijze tot armoedebestrijding onder de doelgroep. Vervolgens overweegt het bestuur om een – nog nader te bepalen – vergoeding bij effectief resultaat (prestatiebeloning) te verstrekken.
Het uiteindelijke doel zal in ieder geval moeten zijn om het (gemiddelde) totaalbedrag (per jaar) uitgaven bijzondere bijstand – thans € 170 – per hoofd van de doelgroep te verhogen. Het effect over het jaar 2006 zal relatief gezien niet groot zijn, gelet op de opstart van het project: In de loop van de daarop volgende vier jaren zal gestreefd worden om in ieder geval te komen tot het huidige benchmarkgemiddelde: € 285.
- ........Categoriale bijzondere bijstand > 65 jaar
Voor personen van 65 jaar of ouder staat de WWB de toepassing van categoriale regelingen wel toe. Gedachte achter het uitzonderen van deze groep is, dat voor personen van 65 jaar of ouder de armoedeval geen rol speelt aangezien men voor deze groep geen reïntegratie in het arbeidsproces tot doel stelt. Dat is – in het verleden reeds – ook de reden van de centrale overheid geweest om het niveau van de AOW en ook de bijstandsnormen voor de noodzakelijke bestaanskosten voor personen van 65 jaar en ouder hoger te stellen dan voor degenen jonger dan 65 jaar. Een generieke inkomensondersteunende maatregel dus. Vandaar ook, dat de in de WWB geïntroduceerde langdurigheidtoeslag niet voor personen van 65 jaar en ouder van toepassing is.
De benadering door de Dienst voor het handhaven van categoriale bijzondere bijstand voor de groep 65-jarigen en ouder is als volgt. Zoals in ander verband al is weergegeven wordt deze groep als de meest kwetsbare groep in de onze samenleving beschouwd. Met name wordt dit veroorzaakt door de extra kosten die gepaard gaan met het ouder worden. Vooral als het gaat om gezondheidsproblemen, waardoor op de diverse terreinen van de dan benodigde zorg eigen betalingen dan wel bijdragen moeten worden gedaan. Dit heeft tot gevolg dat de feitelijke financiële draagkracht zeer wordt beperkt voor het doen van andere uitgaven.
De Dienst hanteert daarom voor deze groep de ‘Bijdrageregeling vervanging duurzame gebruiksgoederen’: eens in de drie jaren kan een bijdrage worden gevraagd ter vervanging van gebruiksgoederen. Bedrag: € 340. Cijfers 2004: aantal aanvragen 36; aantal verstrekkingen 28. De Dienst streeft ernaar – in samenhang met het hiervoor genoemde project ‘Benadering Senioren 75+’ – om een uitbreiding van ditt aantal verstrekkingen te realiseren tot 40.

5.3.3 Positie chronisch zieken en gehandicapten
Gelet op de middelen die het Rijk hiervoor beschikbaar heeft gesteld (de compensatie voor de minima onder de chronisch zieken engehandicapten tengevolge van de bezuinigingen in de AWBZ en de Ziekenfondswet) heeft de Dienst in 2005 een soort van tweeslag gemaakt door de invoering van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering voor minima:
- ........AV Frieso
De Dienst heeft in samenwerking met de zorgverzekeraar De Friesland met ingang van 1 januari 2005 een Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering voor minima georganiseerd.
Doelgroep:
Niet alleen de chronisch zieken en gehandicapten maar alle burgers met een inkomen op het zgn, sociaal minimum, in casu, de geldende bijstandsnormen (zie paragraaf 4.3.1).
Een dergelijke ziektekostenverzekering bestaat uit:

De werkwijze van de Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering:
- De premie voor de verzekerde is gelijk aan de premie voor de gebruikelijke AV-basis.
- De premie-incasso van de bijstandsgerechtigden – zowel de nominale premie als de premie voor de AV-Basis – en
-.doorbetaling aan de zorgverzekeraar wordt verzorgd door de Dienst door middel van inhouding op de uitkering.
- De verzekerden kunnen voor vergoeding van alle in het pakket vermelde kosten (zowel AV-Basis als het uitbreidingspakket) bij de zorgverzekeraar terecht.
- De vergoedingen uit de AV-Basis komen voor rekening van de zorgverzekeraar.
- De vergoedingen op basis van het zgn. uitbreidingspakket (bijzondere bijstand) zijn voor rekening van de Dienst (op basis van voorschotverlening en periodieke afrekening aan de zorgverzekeraar).
- De uitvoering van het uitbreidingspakket (bijzondere bijstand) door de zorgverzekeraar is kosteloos, zowel voor de Dienst als voor verzekerde.
Effecten van de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering voor de cliënt:
- De zorgverzekeraar accepteert ook mensen met een premieschuld (dus in tegenstelling tot ‘vroeger’: de schuld behoeft niet – al dan niet met behulp van bijstand – te worden voldaan).
- De wijze van inhouding en doorbetaling van de premie voorkomt het ontstaan van (nieuwe) premieschulden.
- Verbetering van de verzekeringspositie van de cliënt.
- Terugbrenging van het zgn. niet-gebruik van bijzondere bijstand voor medische kosten.
- Dus: verbetering bestedingspositie van minima.
- Een zeer uitgebreid verzekeringspakket voor een betaalbare, gebruikelijke, premie.
Effecten (financieel) van de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering minima voor de Dienst:
........De beheerskosten van de Dienst:
- Geschatte afname van de uitvoeringskosten ten behoeve van de verstrekking van bijzondere bijstand: ± € 44.000 tot ± € 47.000 per jaar.
........De programmakosten bijzondere bijstand:
- Vermeerdering van de totale uitgaven bijzondere bijstand met ± € 45.000 tot ± € 82.000. Hierbij moet worden aangetekend dat het, met de hiervoor genoemde bedragen, geschatte – maximale – bedragen betreft, die op termijn kunnen worden behaald. Bij de invoering van de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering per 1 januari 2005 zal dit effect niet direct zichtbaar zijn. Voor het jaar 2006 mag worden aangenomen dat zowel de afname van de beheerskosten als ook de toename van de programmakosten zichtbaar worden.


5.4 Overige taken zorgbeleid

5.4.1 Individuele bijzondere bijstand
De WWB hanteert – uitgaande van het maatwerkprincipe – dat het niet past dat bijzondere bijstand wordt verleend aan personen bij wie niet is vastgesteld of de betreffende kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn en of ze daadwerkelijk gemaakt zijn. Er dient dus altijd een toetsing aan de omstandigheden van het individuele geval plaats te vinden.

5.4.2 Sprokkelkostenregeling
Bij de uitvoering van de bijzondere bijstandsverlening hanteert de Dienst – reeds sinds zijn bestaan – de Regeling Sprokkelkosten. Deze regeling is ontstaan onder de werking van de ‘nieuwe’ Abw (1996) toen de gemeenten in noordwest Fryslân besloten om geen drempelbedrag voor bijzondere bijstand meer te hanteren. Als gevolg daarvan ontstond een grote aanwas van aanvragen om bijstand voor relatief ‘kleine’ kosten. Het gaat dan met name vaak om kosten als eigen bijdragen in ziektekosten. Het betekende echter dat de daarmee gepaard gaande uitvoeringskosten voor de Dienst uit de pas dreigden te lopen. Met de Regeling Sprokkelkosten wordt dit laatste voorkomen.
De regeling betekent namelijk dat het aantal aanvragen om bijzondere bijstand voor de relatief kleine kostenposten (“sprokkelkosten”) wordt gevangen in één (verkort) aanvraagtraject. Ieder die verwacht in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand en daarvoor ook aantoonbare (“kleine”) kosten heeft, de zgn. aanleidingskosten, kan een eenmalig bedrag ontvangen van € 200 per draagkrachtjaar. Daarmee wordt de rest van dat jaar afgezien van de claim op bijzondere bijstand. Hierbij is uiteraard de zekerheid ingebouwd dat, wanneer achteraf blijkt dat de bijzondere kosten in een draagkrachtjaar aantoonbaar hoger zijn geweest dan € 200, de cliënt alsnog ‘reguliere’ bijzondere bijstand voor het meerdere kan aanvragen.
De regeling sprokkelkosten bijzonder bijstand blijft dus een vorm van bijzondere bijstand die individueel wordt bepaald en beoordeeld.

5.4.3 Schuldhulpverlening
Voor schuldhulpverlening is de Dienst is een samenwerkingsovereenkomst aangaan met het BISH (Bureau Integrale Schuldhulpverlening). Het BISH – als onderdeel van de Stichting Gemeenschappelijke Kredietbank Friesland – werkt nauw samen met de Stichting Maatschappelijk Werk Fryslân en de Verslavingszorg Friesland.
Het BISH definieert de schuldhulpverlening die zij voorstaat als volgt: Enerzijds het helpen van de cliënt bij het vinden van een oplossing voor de bestaande schuldenproblematiek; anderzijds het voorkomen van een nieuwe schuldensituatie. Derhalve heeft schuldhulpverlening niet alleen betrekking op het regelen van schulden in financieel-technische zin, maar ook op het begeleiden van de cliënt op het gebied van budgettering, gedragsverandering en preventie.
De producten die de Dienst van het BISH afneemt, variëren van beperkt budgetbeheer voor de cliënt tot een volledige schuldregeling. De prijzen zijn afhankelijk van de omvang van het product, alsmede het aantal producten dat wordt afgenomen.
De dienstverlening door het BISH vertoont een gestaag stijgende lijn:

.
2003
2004
.
.
.
Aantal cliënten in budgetbeheer
197
204
.
.
.
Aantal aanvragen schuldhulpverlening
164
167

5.4.4 Arbeid en Zorg (kinderopvang)
Dit onderwerp bewijst dat ‘zorg’ niet in alle opzichten een op zichzelf staand begrip is, maar dat ook duidelijk relatie en samenhang bestaat met de onderdelen werk en inkomen.
Vanaf 2005 is de nieuwe Wet Kinderopvang (Wk) van kracht die ouders een bijdrage biedt in de kosten van kinderopvang naar hun keuze. Vanaf 2005 is er 100 miljoen euro per jaar extra beschikbaar voor kinderopvang. Het kabinet wil dat werkgevers en werknemers de financiering onderling regelen in CAO’s. Waar dit niet gebeurt, zal de overheid ouders op termijn niet meer compenseren. Anders beloont de overheid slecht werkgeverschap. Tot 2008 hebben sociale partners de tijd om CAO-afspraken te maken over kinderopvang. Verder wordt de ouderbijdrage afhankelijk van het gezinsinkomen en de prijs van de opvang.
Vanaf 2005 gaat de Dienst een onderdeel van de nieuwe Wk uitvoeren voor de gemeenten. De Dienst treedt dan op als werkgever voor die alleenstaande ouders die een WWB uitkering ontvangen.
Samen met de alleenstaande ouder draagt de Dienst zorg voor de aanvraag en de betaling – rechtstreeks aan de kinderopvangorganisaties – van een deel van de noodzakelijke kinderopvang. Uit ervaringscijfers van de Kinder Opvangregeling Alleenstaande ouders (KOA) blijkt dat er een tekort zal ontstaan op het beschikbare budget van de gemeenten Doordat er hier sprake is van een ‘open eind’ regeling kunnen de kosten - het werkgeversdeel maximaal 1/3 van de kosten (uurtarief) van kinderopvang - niet worden geweigerd.

5.4.5 Inburgering nieuwkomers
De uitvoering van de huidige Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) is door de aangesloten gemeenten per 1 januari 2004 overgedragen aan de Dienst, waarna de Dienst de uitvoering in handen van Traject BV heeft gegeven. De gemeenten, i.c. de Dienst, hebben een belangrijke rol bij de inburgering. De inburgeraar is verplicht zich in te schrijven bij de gemeente. Vervolgens zijn de gemeenten, i.c. de Dienst, verplicht een samenhangend inburgeringprogramma aan te bieden.
Een nieuwe Wet Inburgering is in de maak. Geplande datum inwerkingtreding: waarschijnlijk 1 augustus 2005. Belangrijke elementen van deze wet: het wegvallen van de regierol van de gemeenten bij inburgering en het plan inburgeraars zelf de kosten van cursussen te laten betalen. Gemeenten, i.c. de Dienst, behouden echter wel taken. Als een nieuwkomer zich inschrijft bij de gemeente, moet hij / zij worden voorgelicht over de eisen die aan de inburgering worden gesteld. De nieuwkomer krijgt dan vervolgens de keus: of zelf inburgeren of bij de Dienst een cursus inkopen. Als de inburgeraar een WWB-uitkering heeft, is die keus er niet. De inburgeraar moet zich dan in het kader van het reïntegratietraject via de Dienst voorbereiden op het inburgeringexamen. Met ingang van 2005 voert de Dienst de WIN voor 5 gemeenten: Het Bildt, Ferwerderadiel, Leeuwarderadeel Menaldumadeel en Franeker. Indicatief budget 2005 was: € 173.750. De Dienst koopt trajecten in via RIB Traject BV en scholing bij het Friesland College. Naar verwachting kan vanaf maart 2006 ook scholing elders worden ingekocht. Wanneer het budget niet toereikend is voor de in te zetten trajecten, kan aanvullend een beroep worden gedaan op de middelen van de Wet Basis Educatie (WEB) die bij het Friesland College zijn in te zetten.

Telling van cliënten door bureau Nieuwkomers van Traject BV
Peildata 1/1 2004 en 1/1 2005

Gemeente Jaar WIN
Franekeradeel 2004 28
. 2005 23
Menaldumadeel 2004 6
. 2005 8
Het Bildt 2004 5
. 2005 8
Ferwerderadeel 2005 3
Leeuwarderadeel 2005 7


Ook bij oudkomers met een bijstandsuitkering houdt volgens de minister de gemeente een ‘spilfunctie’. Oudkomers die weigeren aan een inburgeringcursus deel te nemen, kunnen gekort worden op hun WWB-uitkering. Die korting op de uitkering zou kunnen blijven bestaan tot het moment dat het inburgeringexamen is behaald.



6. Dienstverlening


6.1 De Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân als onderdeel van het pakket van aanbod aan de burgers

De gemeenten zien de Dienst als een investering in de sociale infrastructuur van de lokale gemeenschappen zelf en van de regio Noordwest Fryslân. Een kleinschalige uitvoering van werkzaamheden in het frontoffice dicht bij de burger wordt gecombineerd met een grootschalige en efficiënte uitvoering van administratieve werkzaamheden in het centrale backoffice.
Tengevolge van de invoering- en oprichting van de regionale Centra voor Werk en Inkomen (CWI), waarin ook de Dienst participeert – t.w. in de vestigingen Franeker en Leeuwarden – kan aan dit principe (“kleinschalige uitvoering dicht bij de burger”) niet in alle opzichten recht worden gedaan.


6.2 Communicatie met de burgers die gebruik (zullen) maken van de dienstverlening van de Dienst

6.2.1 Overlegorganen
Voor zowel de uitvoering van de Wet werk en bijstand als voor de Wet voorzieningen gehandicapten bestaat een wettelijke verplichting tot vastlegging van de wijze waarop cliëntenparticipatie door de lokale overheid vorm word gegeven. Ook in de aanstaande Wet maatschappelijke ondersteuning is een grote plaats ingeruimd voor “burger- en cliëntenparticipatie”. Het is echter op dit moment nog niet duidelijke in hoeverre voor deze laatstgenoemde wet een (uitvoerings)taak voor de Dienst is weggelegd.
In de huidige situatie van de Dienst bestaan twee overlegorganen van cliënten. Beide organen hebben de status van een platform.

De Dienst heeft bij Convenant met deze twee organen de werkwijze en wederzijdse verplichtingen met betrekking tot de overlegstructuur vastgelegd. De Dienst neemt zich voor, voor wat betreft een goede facilitering en subsidiëring hiertoe, de vinger aan de pols te houden, zodat een goed functioneren van cliëntenparticipatie gewaarborgd is.

6.2.2 Individuele belangenbehartiging
De Dienst staat open voor (particuliere) initiatieven die leiden tot individuele belangenbehartiging van cliënten. Daartoe heeft de Dienst contacten met het “Steunpunt uitkeringsgerechtigden en gehandicapten Noardwest Fryslân”. Een lokaal initiatief van vakorganisaties, ouderenbonden, organisaties voor arbeidsongeschikten, gehandicaptenorganisaties en de onder 6.2.1 genoemde twee overlegorganen. Dit Steunpunt presenteert zich als belangenbehartiger voor specifieke individuele zaken en problemen die de burger in de trajecten van de sociale zekerheid kan tegenkomen.
De Dienst verstrekt een (deel)subsidie aan dit Steunpunt. Naar de toekomst toe zal jaarlijks worden beoordeeld of, en in welke omvang, subsidieverlening noodzakelijk is.

6.2.3 Inspraakverordening
Naast de hiervoor genoemde vormen van participatie hanteert de Dienst een Algemene Inspraakverordening. Alle ingezetenen en alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het rechtsgebied van de Dienst een belang hebben kunnen, op grond van de verordening, over de inhoud van het beleid van de Dienst hun mening geven met gebruikmaking van het inspraakrecht. Voorts staat in deze Inspraakverordening een verwijzing naar de vorm van overlegstructuur met de eerdergenoemde overlegorganen.

6.3 Informeren burgers inzake het pakket van aanbod van de Dienst

6.3.1 Voorlichting en informatie
De Dienst informeert de burgers over het pakket aan ‘producten’ dat hij heeft te bieden, door middel van:
- .....een eigen voorlichtingslijn (brochures, folders, nieuwsflitsen etc.)
- .....een vaste informatierubriek in enkele lokale (week)bladen
- .....de website van de Dienst (www.sozawe-nw-fryslan.nl).

6.3.2 Verwijzing
De Dienst ziet zich zelf als een onderdeel van een keten van dienstverlening.
Het komt met enige regelmaat voor dat de Dienst, gelet op zijn takenpakket, niet kan voldoen aan de door de burger gestelde hulpvraag. Het is vanzelfsprekend dat in dergelijke gevallen de Dienst de cliënt behoort te verwijzen naar die maatschappelijke instellingen die zich op het terrein van die specifieke hulpvraag bewegen. Een goede verwijzing draagt bij tot het welzijn van de burgers.

7. Organisatie


7.1 Personeel

7.1.1 Personeelsontwikkeling
In 2003 is gestart met het thema Personeelsontwikkeling. Dit thema is als speerpunt voor het personeelsbeleid van 2004 gekozen en beoogt een structureel proces van personeelsontwikkeling (professionalisering) in gang te zetten. Dit is noodzakelijk om adequaat te kunnen blijven inspelen op de steeds wisselende eisen die aan de Dienst worden gesteld. In voorgaande jaren zijn de benodigde condities tot stand gebracht en personeelsinstrumenten ontwikkeld en is gestart met dienst-, team- en individuele jaarwerkplannen. Waarmee een objectiveerbare koppeling is aangebracht tussen gewenste productie en gewenste kwaliteit. Hierdoor worden werkplanning, competenties etc. beter inzichtelijk en meetbaar.
Vanaf 2005 is er gewerkt met een opleidingsplan. Hierin is een opsomming gegeven van activiteiten op het gebied van scholingsactiviteiten die in 2005 moeten en/of kunnen plaats vinden. Een dergelijk plan zal jaarlijks voor aanvang van de functioneringsgesprekken aan alle medewerkers gepresenteerd worden. Dit ter ondersteuning van het formuleren van hun behoeften, noodzaak tot scholingsactiviteiten, tijdens het gesprek t.a.v. hun eigen persoonlijke ontwikkelingsplan (POP).
Ervaring thans is dat het zowel voor de leidinggevenden als voor de medewerkers zelf, lastig is om vanuit competenties het functioneren te beoordelen. Zowel in 2005 als in 2006 zal gekeken worden hoe zowel leidinggevenden als medewerkers verder gefaciliteerd kunnen worden om het competentiemanagement een betere invulling te geven.
De Wet werk en bijstand (WWB), de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) en casemanagement versterken de noodzaak, dat gestuurd wordt op inhoudelijke kwaliteit en kwantiteit. Van werknemers wordt immers verwacht dat er ondernemend wordt omgegaan met hun taakstelling. Het creatief en inventief toepassen van de veelal ingewikkelde en soms tegenstrijdige wet- en regelgeving vergt meer dan ooit het vermogen om creatief te werken vanuit de probleemstelling en veelal meervoudige problematiek van de diverse cliënten.
Ondernemerschap is een kerncompetentie van de Dienst. In 2004 en 2005 is veel aandacht besteed aan de wijze waarop, met behulp van genoemde instrumenten, de verdere ontwikkeling en professionalisering het gewenste ondernemerschap van de werknemers tot stand kan worden gebracht. In dit proces spelen leidinggevenden een cruciale rol. Van leidinggevenden wordt verwacht dat zij sturing weten te geven aan de gewenste verdere ontwikkeling en professionalisering van werknemers. In 2005 wordt veel aandacht besteed om met de leidinggevenden de instrumenten te ontwikkelen om sturing aan het proces te kunnen geven, in 2006 zal dit proces worden voortgezet. Tijdelijk zijn er voor elk team Senior Casemanagers benoemd, welke een aantal taken van de leidinggevenden uitvoeren, hierdoor krijgen de leidinggevenden de tijd om de overgang te begeleiden.
Werknemers moeten worden gestimuleerd in het nemen van eigen verantwoordelijkheid, voor geleverde kwaliteit en, ondernemersschap en zelfstandigheid. Via de Persoonlijke Ontwikkelingsplannen zullen werknemers worden gestimuleerd om eigen verantwoordelijkheid te nemen voor hun professionele ontwikkeling. Uiteindelijk moet het er toe leiden dat de Dienst in 2007 werkt met zelfsturende werknemers en productverantwoordelijke teams, zodanig dat de dienstverlening naar de cliënten op een faciliterende en coachende wijze gebeurt.
Op te zorgen dat het opleidingsbeleid goed ingebed wordt in het totale beleid van de Dienst, zal in 2005 een Strategisch Opleidingsplan opgesteld worden. In 2006 zal vervolgens gewerkt worden aan de afstemming van dit plan met andere personeelsinstrumenten die de Dienst hanteert, zoals: functionerings- en beoordelingsgesprekken; aanstellings-, ontslag- en bevorderingsbeleid; functiewaarderingsyteem en beloningsbeleid.
Tot slot zullen in 2005 de mogelijkheden van ESF-financiering van opleidingsactiviteiten onderzocht worden. Gelet op de ambities in het kader van personeelsontwikkeling van de Dienst zijn extra financiële middelen zeer bruikbaar.

7.1.2 Arbeidsomstandigheden.
De huidige afspraken met de Arbo dienst zullen in 2006 gewijzigd worden, dit tengevolge van de Wetgeving die op 1 juli 2005 in werking treedt. Grote verandering is dat de Dienst zelf een aantal taken op het Arbo gebied kan gaan uitvoeren. Vanuit de Wet is er tevens de verplichting dat er een preventiemedewerker wordt aangesteld die zorg draagt voor de dagelijkse veiligheid en gezondheid binnen het bedrijf., in geval van de Dienst zal de personeelsfunctionaris deze oppakken.
Doelstelling is om te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden, invulling van het Arbo beleid is daar een groot onderdeel van. In 2006 zal voor alle locaties van de Dienst een risicoinventarisatie en evaluatie plaats vinden.

7.1.3 Personeelsplanning
Wanneer de Dienst de WMO zal gaan uitvoeren zal dit in de formatie worden opgenomen. Op dit moment is nog niet aan te geven wat dit voor de formatie zal betekenen.

7.2 Verandering van Wet en regelgeving.

7.2.1 WAO / WIA
Voor 2007 zijn er grote veranderingen in de wet en regelgeving zo zal de WAO ingrijpend gewijzigd worden.
De WAO komt per 1 januari 2006 geheel te vervallen, de wet wordt vervangen door de wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). De wet bestaat uit twee delen: de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).
Werk staat voorop in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. De wet bevat prikkels om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen en inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer kunnen werken. Het huidige verzuimbeleid ( gebaseerd op de Wet Poortwachter) is gericht op het reïntegreren van de medewerkers in de functie, als dat niet mogelijk is dan is een andere (mogelijk aangepaste) functie één van de mogelijkheden.
Met de invoering van de Wet WIA worden een aantal financiële prikkels geïntroduceerd t.w.:
- Werkgevers die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte aan het werk helpen of houden, worden niet verplicht het loon door te betalen als de betrokkene binnen vijf jaar opnieuw ziek wordt (no-riskpolis). Het UWV neemt in dat geval de loondoorbetaling over.
- Een werkgever krijgt korting op de premies voor de sociale verzekeringen als hij een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt of houdt.
- De premie voor de werkgever gaat omlaag naarmate een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer meer werkt, maar de premie kan ook stijgen als iemand juist minder gaat werken.
Voor de Dienst zal de wetswijziging een aantal positieve gevolgen hebben, de huidige inspanningen worden beloond met bovengenoemde prikkels.

7.2.2 IVA
Voor medewerkers die volledig arbeidsongeschikt zijn zal er in vergelijking met de WAO weinig wijzigen, deze medewerkers komen in de IVA, inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten. De
IVA regelt een uitkering van 70% van het (gemaximeerde) dagloon, deze uitkering loopt in beginsel door tot aan het 65e jaar.
De WIA en IVA hebben op het moment van schrijven de status van wetsvoorstel. Definitieve besluitvorming zal plaatsvinden (door het Kabinet) halverwege 2005, er kunnen dus nog veranderingen optreden.